30 november 2020

BLIJVEN SCHRIJVEN 

Non, non rien n'a changé.

Doelloos zappen op een donkere kille novemberdag doet mijn afstandsknopjes haperen aan onwaarschijnlijk opgefokte leventjes in de luchtbellenbubbels van Latem, Knokke en Monaco.
De wereld zoals ooit subliem beschreven door baron Cyriel Buysse bestaat dus nog. Hij is vandaag zo te zien nog meer bescheten dan die van de Betere Kringen uit zijn tijd.
De koets van de oppermachtige Tantes is ondertussen vervangen door een heli, op stal in Fontvieille. De gekte van het jongste nichtje wordt niet langer discreet weggestopt in het zothuis, integendeel breed geëtaleerd door regelneven en tatertantes.
Het recht van de sterkste glorieert triomfantelijker dan ooit. Grootgrondbezit door betonbaronnen deint uit van Buysse-land Nevele en Poesele tot Koppenberg en Kwaremont over de hele Vlaamse Ardennen.
Buysse heeft dat allemaal zo lang geleden al gevat, onvergetelijk scherp vereeuwigd. Alsof hij het liedje van mijn titel hierboven al kende. Alsof hij al wist dat die wereld eeuwig zou blijven duren, niet meer was bij te sturen. Dat de grootheidswaan onbetaalbare schoenen zou aantrekken, in plaats van rijglaarsjes. Dat de haver voor de schimmel van zijn 'adorateurs' (zoals die van Raymond in Tantes) vervangen zou worden door hondenbrokjes, aan huis geleverd voor het dieet van Kutlikkertje.
Dat Hugo Claus aan Cyriel Buysse schatplichtig was zoals Colruyt aan de mosterd van Ferdinand Tierenteyn was al langer een evidentie.
Dat Buysse echter ook nà Claus spetteren zou van acute relevantie, het is en blijft zowel een groot leesgenoegen als het allerdiepste Verdriet van Vlaanderen.
'Blijven Schrijven'. Dagboek.

27 november 2020

 BLIJVEN SCHRIJVEN.





'Schrijvers die hun personages haten, daar hou ik niet van,' zegt auteur David Grossman.

Dat treft, ik ook niet. Het verhaal van Dees in 'Zonde van Nini' bouwde ik op rond de figuur van mijn vervangvader, pater familias 'Staf Poorter,' mijn jeugdheld.
David Grossman: 'Ik denk dat ieder mens een oerverhaal heeft, een verhaal dat we altijd over onszelf vertellen als we nieuwe mensen ontmoeten. Meestal gaat het over onze jeugd; misschien voelen we ons niet begrepen, of eenzaam, of leefden we in onze fantasie omdat het echte leven zo zwaar was.
Het probleem is dat we dit verhaal blijven polijsten, steeds beter worden in het vertellen ervan, maar niet doorhebben hoezeer het ons leven is gaan bepalen. Het verlamt ons, terwijl het misschien helemaal niet veel meer te maken heeft met wie we nu zijn.
Zodra je jezelf toestaat dat verhaal vrijer te benaderen, door accenten te verleggen of van standpunt te veranderen, hoef je geen slachtoffer meer te zijn van je eigen verhaal, van je eigen trauma.'
Dan pas kan je voort en verder.
'Blijven schrijven Stef ' port literair connoisseur Carlos Alleene me aan in een messenger chat. Carlos introduceerde ooit mijn romandebuut 'Zonde van Nini' bij mijn eerste uitgever, wijlen Roger Binnenmans van Hadewijch. Eer ik het besefte was er het voorstel van de VRT voor verfilming , kwam uitgever Lionel Deflo van Manteau voor de proppen met een schrijfcontract 'dat geen auteur weigeren zou' en ik absoluut aanvaarden moest van Binnenmans, inmiddels mijn mentor in letterenland.
Volgde bij Manteau de ene overname na de andere. Nederlandse uitgevers, Duitse concerns. De ene dag mirobolante voorstellen, de andere dag helaas alweer nieuwe overnames, andere uitgevers. Daar sta je dan als auteur. Het hart op zak, je typoscripten in de kast. Jij, met je schrijvend bestaan.
'Ze willen nu thrillers. Heb je er geen liggen?' 'Nee, ik ben Jef Geeraerts niet. Ik haat wapens'.
Ze willen dit. Ze willen dat. Ze willen vooral: kassa kassa. Als aandeelhouders hun Jaguar kunnen komen voorrijden in de mooie hovingen van Angèle barones Manteau. Jazeker, blijven schrijven. Tegen de sterren op.

'BLIJVEN SCHRIJVEN'. Dagboek.

26 november 2020

BLIJVEN SCHRIJVEN 

OUDE BELG.

In Ben Hur wordt de zogeheten Romeinse groet gebracht, gestrekte arm in schuine hoek naar de hemel, tristement célèbre. Vanuit die Romeinse tijd is er echter geen spoor te vinden van een zogeheten 'Saluto Romano'. Voor het eerst duikt die pas op in ‘De eed van de Horatii’ van Jacques-Louis David. Salon van Parijs, 1784. Het Romeinse Rijk is dan al lang, met of zonder gestrekte arm, compleet naar de Visigoten.
Van dat Parijse kunstenaarssalon waait de ‘Saluto Romano’ over naar de Verenigde Staten, duikt daar op in theaterstukken en tenslotte in Hollywood-prenten als Ben Hur en Quo Vadis.
De fascistische dichter Gabriele d’Annunzio lanceert die vermeende ‘saluto Romano’ in 1914 leep als politiek symbool, hierin gretig gevolgd door Benito Mussolini in 1920. Vier jaar later wordt de Duce hierin geïmiteerd door Adolf Hitler die hem verplicht maakt voor nazi-partijleden en vanaf 1933 voor alle Duitsers. (Niet dat die hem daarin allemaal zomaar gewillig volgen. ‘Drei Liter!’ is bij wijze van alternatief voor ‘Heil Hitler’ aanvankelijk heel populair).
Al van voor die recup van de zogeheten ‘Saluto Romano’ door Mussolini en Hitler heeft Baden Powell de groet gelanceerd in zijn scoutsbeweging. Voor de conservatieve opperscout is het gewoon ‘een mooi gebaar’. Dat een dan nog onbeduidende nazicreatuur uit Duitsland er de leuze Sieg Heil! (leve de overwinning) en gaandeweg ‘Heil Hitler!’ (leve mezelf) aan vast ‘haakt’ is voor Powell blijkbaar geen reden om het ‘mooi’ gedoe met de gestrekte rechterarm af te zweren onder de mast. Tot er dan toch een aantal scouts beginnen te vinden dat zoiets echt niet meer kan.
Wie dus zoals ik bij het 'nederkomen van d’avond en het zinken der zonne' als scout rond Ardense kampvuren heeft gestaan, een en al ontroering, pink onder de duim voor het beloftelied, uit volle borst het wondermooie avondlied meezingend, komt zo te lezen achteraf nog goed weg. Op een andere scoutskalender hadden we daar schoon staan blinken als Beverspatrouille, met onze gestrekte rechterarm. Terwijl het duister letterlijk en figuurlijk klom alom.
Ook de Olympische groet heeft trouwens aanvankelijk veel zo niet alles gemeen met de gestrekte rechterarm van de nazi’s. (Wie geen rechterarm meer had mocht van Hitler de linkerarm bezigen).
Veel daarover wordt vernomen van moraalwetenschapper Gie van den Berghe met diens boek ‘Sieg Heil! Van mythische groet tot verderfelijke ideologie’ bij uitgeverij EPO.
In een gesprek daarover met De Standaard zegt Van Den Berghe maar niet te begrijpen ‘dat de nationale vlaggen van bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk maar ook van ons land niet als veel verderfelijker gezien worden dan de Sieg Heil! Groet.’ Zo staat het er, in alle tinten grijs.
Gie Van Den Berghe: ‘Historici en ethici zijn het er immers grotendeels over eens dat in naam van die vlaggen en het kolonialisme nog veel meer mensen zijn afgemaakt, onderworpen en tot slaaf gemaakt. … We focussen graag op de nazi-periode omdat het ons vrijpleit. We storen ons 80 jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog nog steeds aan de Sieg Heil! groet maar ondertussen gebeuren er opnieuw onmenselijke dingen en kijken we opnieuw weg.’
Ja hallo. Rare kronkels nemen die moraalwetenschappers vandaag als je het me vraagt. Alsof er gradaties bestaan van het onnoemelijke waarbij de holocaust mettertijd lager gaat scoren dan kolonialisme en imperialisme.
Of hoe perceptie en waan van de tijd de geschiedenis gaandeweg herschrijven. Daarbij bijna geruisloos vaderlandsliefde, vrijheid en heldendom degraderend, relativerend, ‘duidend’ in het licht van pakweg kolonialisme en imperialisme.
En ik die al enige walging onderdrukken moest toen mijn (Hollandse) uitgever het vanzelfsprekend vond om zomaar, zonder mijn medeweten noch inspraak, vijf van mijn romans als een soort ‘weggeefding’ op de markt te smijten : met als weinig respectvolle voorplaat een… Belgische dweil.
Maar ach ik zal wel een ‘Oude Belg’ zeker? Of erger nog: een Belgicist, voor sommigen bijna een scheldwoord tegenwoordig.
Het zij zo. De rechterarm strek ik hoe dan ook alleen neerwaarts. Voor het rieken der vallende bladeren onder de plataan hier.
'BLIJVEN SCHRIJVEN'. Dagboek.

BLIJVEN SCHRIJVEN 

DE SLIMSTE VAN DE STANDAARD.

De Standaardgroep. Auditorium Groot-Bijgaarden. Er daagt een kerel op in diepblauw pak, het haar als Rudy Giuliani in lekkende gel. Lijkt zo weg geglipt uit All the President’s men. Mikt, afstandsbediening onzichtbaar aan de pols, op het uitgerold screen een vlammend vlekje op welgeteld twee cijfers.
Cijfer links: 7.
Cijfer rechts: 350.
‘Links’, deelt hij ons mee, als was het een dienstmededeling over de koude schotels op het weekmenu van Sodexho in de refter, ‘is de winst die de aandeelhouders willen’. ‘Rechts de jobs die daarvoor dienen te worden geschrapt.’ Fijne dag verder.
Het verhaal van een zoveelste ‘herstructurering’ waarbij ik meer dan 1000 jobs, jobs, jobs... in kranten en magazines heb zien sneuvelen. Honderden werkmakkers… weg geflitst als een vlekje van de afstandsbediening. Hele huishoudens in de shit. Hele levens vermalen in fusies van redacties, herschikkingen van hoofdredacties, dure doch rampzalige herlanceringen van ‘kranten voor actielezers’, overnames, verdwijning van titels.
Alleen Elvis blijft dus bestaan. En Marilyn misschien en JFK of wie weet Winston Churchill. Ik zit op het puntje van mijn stoel. Voor even terug op de diverse redactievloeren van mijn vorige levens. Hangend aan de lippen van de hoogst schrandere en boeiende Karel Verhoeven, gedreven hoofdredacteur van De Standaard. Hoe hij zelf is doorgegroeid te velde en langs ronkende studietempels. Vooral hoor ik hem graag vertellen dat hij die kwaliteitskrant dan wel aansturen kan, maar dat ze toch in de eerste plaats gedragen wordt door honderden journalisten, vormgevers, drukkers, commerciële en administratieve medewerkers.
Nee, de krant is niet één schrandere meneer met een wat hinderlijke haarlok. De krant is duizend gedreven vrouwen en mannen tegelijk van wie er maar enkele met hun naam in de krant komen. Plus de hoofdredacteur die, zo lang het goed gaat met cijfertje links zijn gedrevenheid mag overdragen om zijn topredactie aan te vuren. Tot er alweer een ander aangeduid wordt… die vooraf bereid is gevonden het cijfer rechts ‘te implementeren’.
Voor één verhaal blijf ik op mijn honger. Dat van de moordende concurrentiestrijd tussen De Standaard, De Tijd, De Morgen. Om van Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad (incluis de opgepeuzelde Gazet van Antwerpen en Het Volk) nog te zwijgen. Strijd om de abonnee en de lezer die gaandeweg nog ‘herschikkingen’ genereren zal, nu al hopeloos voorbij gesneld door de nieuwe (a)sociale media, al het bijhorend fake news, de partijtrollen, de goochelende nieuwsmachines.
Nazinderen blijft bij mij dat ene zinnetje van Karel Verhoeven over de akelig naderende inperking van persvrijheid in onder meer Hongarije. Om van roeptoeter Trump te zwijgen.
Nazinderen blijft vooral zijn eigen nare ervaring als hoofdredacteur met het aanmatigende China (op de achtergrond: de cijfertjes, potentiële markten, aandeelhouders) voor een cartoon van Lectrr.
Doet me eraan terugdenken hoe de redactie van Spectator door de uitgever ooit gesommeerd werd tekenaar ZAK stante pede de laan uit te sturen. ‘Op bevel van hogerhand’. Toen vanwege een geniale cartoon over Fabiola die de gescheurde broek van Boudewijn aan het naaien was. Van een artistieke Schreeuw om erkenning door prinses Delphine was toen nog niet eens sprake. Marec komt goed weg.
BLIJVEN SCHRIJVEN. Dagboek.

BLIJVEN SCHRIJVEN

Voortreffelijkheid voor Machiavelli.

Ik hou van Tinneke Beeckman. Ik bedoel van wat ze schrijft. Eerder over Spinoza, nu over Machiavelli.
Ik ben haar gaan beluisteren in het Huis van de Mens. Haar boeken vond ik toen beter dan haar lezing. Allicht omdat ik boeken altijd beter vind dan de uitleg, het mediatiek en promotioneel gedoe errond of de verfilming ervan.
(Met voor dat laatste 'De Naam van de Roos' van Eco en 'L' Oeuvre au noir' van Yourcenar als zeldzame uitzonderingen) .
Tinneke Beeckman in 'De Standaard der Letteren' bij Karel Verhoeven: 'Ik ben een zelfstandige filosofe. Ik heb geen baas en ik ben baas over niemand. Macht verwerven houdt me niet bezig.'
Voor zo iemand schuif je al eens de berichtgeving over het kluizenaarsbestaan van Oscar van den Boogaard in Sint-Martens-Latem tussen de dikke SUV's en de golfkarretjes en wie zich daar zoal in wringt graag terzijde.
Tinneke Beeckman: 'Ik hou van het idee dat je je het beste kan verweren tegen misbruik van de macht als je er een zo realistisch mogelijke kijk op hebt. Door niet mee te stappen in de schone schijn die de macht rond zichzelf ophangt.'
Over Machiavelli: 'Politiek bestaat bij hem uit conflict. Er zijn twee betrokken partijen: het volk en de elite. Het volk verlangt ernaar om vrij te leven, de elite wil het volk overheersen.'
Machiavelli neemt het daarbij consequent op voor het volk. Hij vindt het volk eerlijker, het heeft ook een beter oordeelsvermogen.
Voortreffelijkheid gaat daarbij dan om de sleutelvraag wie je echt met gloria overlaadt, voor wie je applaudisseert.
Voor de egogek in gepantserde limo? Of voor degene die zich dag in dag uit in stilte inzet voor de samenleving?
De zorgverstrekker.
De vuilnisophaler.
De leerkracht.
Machiavelli daarover in zijn 'Discorsi': 'In vredestijd bezetten vooral mensen met privileges en de juiste afstamming de belangrijkste posities. In crisistijd vallen de onbekwamen door de mand, zie je wie écht voortreffelijk is'.
'Machiavelli's lef'. 'Levensvisie voor de vrije mens' Uit bij Boom.

BLIJVEN SCHRIJVEN. Dagboek.

08 november 2020

 AVONDUREN

Ronse, een handleiding.
Epiloog.
De Ronde
van Vlaanderen
eindigt
in Oudenaarde.
Ronse werd door Wetstraatezen vastgeklonken in een wurgstatuut dat ons plundert van alle nutsdiensten, ons elke fusie ontzegt, degelijke ontsluiting tegenhoudt.
Ronsenaars zijn minder gelijk voor de wet dan onze buren van Oudenaarde en Frasnes. De Ronde van Vlaanderen eindigt in Oudenaarde.
Ronse verdient beter en heeft daarvoor meer troeven dan ooit. Niet in het minst een bom jong talent en dit in alle geledingen van het sociaal, economisch weefsel en jawel ook in de politiek.
Wat me na een halve eeuw Ronse watching steekt, is de verdeeldheid van ene elite versus gewone Ronsenaars door geld, gender, intellect, afkomst, rang, ras. Verdeeldheid ook door persoonlijke ambities die 'Tuupe Vuir Ronse' reduceren tot holle frase .
Hoop, geloof en onvoorwaardelijke liefde die maken dat Ronse, ondanks dat wurgstatuut en die onderlinge verdeeldheid, toch een stad is met toekomst.
Ver voorbij efemere geschillen, wars van het donkerste doemdenken delen we immers behalve ons van elkaar verschillend verleden vooral dezelfde toekomst waaraan we dag aan dag 'tuupe' voor Ronse zullen blijven werken in het mooiste dal van Vlaanderen.
Leve Ronse!

07 november 2020

 AVONDUREN.

Ronse, een handleiding.
22. Liefdesverhaal in straatnamen.

Straatnamen vertellen veel zo niet alles wat je weten wil over Ronse. Neem de Zonnestraat, net als de Oswald Ponettestraat en de Cesar Snoecklaan dringend aan renovatie toe.
De Zonnestraat loopt recht op de Klijpe. Om er te geraken ik bedoel aan de Klijpe moet je eerst voorbij de Blokstraat. Die ligt (rechts dat spreekt) tegenover de Rode Mutslaan. De Klijpestraat zelf loopt uit op de Malaisestraat. Ik bedenk dit niet zelf.
Ten noorden van de Klijpe kom je langs Wittentak via de Eikelstraat uit op de Vlamingenweg (in één woord, voor alle duidelijkheid).
Aan de Eikelstraat zoekt u het dan best zelf maar uit. Bon. Wat lager dan de Rémi Van Caeneghemstraat (mienen bompa) kom je dus uit op de Cyriel Buyssestraat. Schrijvers en schilders zijn prima vertegenwoordigd in Ronse. Zo heeft folkkunstenaar Watkyne (van de heksenmuur in Ellezelles) zijn straatje dat uitkomt op de Hendrik Consciencestraat.
Ook wijlen mijn vriend Armand Demeulemeester siert het straatbeeld. In uitstekend gezelschap trouwens, vlakbij Guido Gezelle aan de Rode Broekstraat. Armand had er best mee kunnen leven. Hij van wie zijne heiligheid Paus Johannes Paulus II een werk van de Belgische bisschoppen geschonken kreeg, bij het pausbezoek aan de basiliek van Koekelberg (nog net niet de basiliek van Hermes).
Rode Mutslaan.
Rode Broekstraat.
De kaart van Ronse kleurde ooit rood, doch schijn bedriegt. Vandaag is rood hier op sterven na dood. Doch het kan verkeren, zei Bredero.
Dan de vele Steegjes en koerkes. Ik ken vrienden bij De Gevuigoode Mandolinen en niet van de minste (onze chef hemzelf) die er wonen. Net als ik onweerstaanbaar vallend voor de charme ervan.
Neem het Steegje Willocq waar de kleine Eric Zonneman (9) om de hoek met de Abeelstraat woonde met zijn mama en er aan zijn eind kwam toen hij enthousiast doch iets te voorbarig zwaaiend met de Belgische cocarde laf werd neergekogeld van op de laatste vluchtende nazipantser.
Steegje Snoeck aan de Vanhovestraat.
Koer Styns aan de Lange Haag.
Koer Devos aan de Nieuwe Brugstraat.
Koer Dejonghe aan de Kruissens.
Kleine straten.
Betere boulevards.
Vervallen buurten.
Nieuwe sites.
Le grand chic huist in de prachtige art deco buurt van de Leopold Sturbautstraat en de belendende ‘quartiers’, in statige burgerwoningen aan de Square Mouroit en ooit ook in de mooiste huizen van een nu helaas deerlijk toegetakelde Wijnstraat met Cinema Ritz als grootste schandvlek.
Met de Stadstuin is midden de oude Kloef een open residentiële stadstuin neergezet voor betere tweeverdieners. De meningen erover blijven even verdeeld als de initiële discussie daaromtrent in de gemeenteraad. Maar de verbinding met de Oscar Delghustraat lijkt wel geslaagd. De trieste de Kloef van weleer is omgetoverd tot een mooie open ruimte met veel licht en groen.
Hip heet tegenwoordig de buurt van de Beekstraat met trendy lofts, woonprojecten in oude fabrieksgebouwen. Dit zowel aan de Gebroeders Dopchiestraat, de Beekkant zelf, de Drieborrebeekstraat en verderop de Napoleon Annickstraat.
Betekenisvolle namen in Ronse zijn er meer dan genoeg. Neem de Weerstandstraat. Wijlen Georges Van Coppenolle (met Lucien Ven een van de legendarische chefs van het Ronsese verzet) toonde me bij de research voor mijn roman ‘De Nalatenschap’ zelf nog op de kaart hoe de verenigde weerstand langs Deurnestraat en Weerstandstraat (vandaar dus) langs de Wodecqstraat Ronse binnen kwam geslopen. 'En file Indienne,' zoals Georges het zei. Recht naar de Grote Markt voor de verbinding met de Engelsen vanuit …de Engelsenlaan.
Zelf woon ik op Broeke. Wat hogerop ligt de Hemelberg op aarde. Doch alles wat ik wil lijkt zover weg, zover weg van mij. In de buurt allemaal nieuwe straten met namen als Ronsese zustersteden.
Klevestraat.
Jablonecstraat.
Sandwichstraat.
Een leuke straatnaam vind ik de Trogstraat aan de Kanarieberg. Bijna schreef ik de Trollenstraat. Wat verderop aan het Ruddersveld ligt de Breucq.
Ik herinner me eindeloze discussies bij de zoveelste taalgrenstwist over de vraag of de Breucq bij Vlaanderen dan wel bij Wallonië diende te worden ingekleurd. Boel en bazar. Geen wonder ook, met de Slagkotstraat vlakbij.
Misschien kan de ovenverse ‘nieuwe oude partij’ genaamd 'Respect' van mijn goede buur Erik Van der Eedt de strijdbijl daarover weer opgraven. Krijgen we hier weer ‘wandelingen’ van het Taal Aktie Comité. Ronse nog maar eens op de foute manier in het nieuws. 'Du moment qu'on en parle.' Straatnamen ik zei het al, ze vertellen veel zo niet alles.
Neem de Maagdenstraat. Ongeveer de langste straat van Ronse. Met middenin Boontjesstraat, Waaienberg en Lievensveld. Je kan zoiets zelf zo romantisch niet bedenken.
Een liefdesroman,
in simpele
straatnamen.
Of een poëemke
met niks anders
zoals dit hierna;
weg van poëzie
bakkereel en baremeers
cachette pierrette en coq battant
malaise en de maneschijn
ten houte en tombeele
de kafhoek en de kammeland
papekouters, borrekens
kleine heide, oude vesten
blauwesteen en molendam
de linde en de walenweg
biest, den hul en meijerije
langeweg en triburie
schaffendal en langehaag
de rotterij, de zomerij
spillegem en groeneweg
kattemolen, kegelkaai
kruissens en spinessenberg
ronsemeers, fiertelmeers
schavaart en de waaienberg.
Théodule Canfijn

Bart Wallays, Laureaat Stadsgedicht 2006.

 AVONDUREN

Ronse, een handleiding.

21. De gijzeling van ons mooiste erfgoed.

Ik voel het aan mijn tenen als er een anonieme brief in de bus ligt: ze beginnen te krullen. Al van toen ik thuis op de Steenbrugge de brievenbus van De Ronsenaar ledigde. Hoopvol uitziend naar hemelsblauwe airmail van mijn vriendinnetje uit San José. De haatmail bij elk standpunt van Jan Verroken in De Ronsenaar (Le tombeur de Louvain! Monsieur Verbroken!) kon me worst wezen. En zie, vanochtend doen mijn tenen waar ze goed in zijn. Anonieme envelop met mondmasker cadeau erin.
Timeo danaos et dona ferentes. Wees op je hoede voor de Grieken, ook al komen ze met geschenken als het paard van Troje.
Het mondmasker zit keurig steriel verpakt. Het venijn zit meer in de boodschap erop. Het oude verhaal van mensen die vinden dat maskers dienen om hun eigen boodschap te verspreiden veeleer dan om je van het virus te vrijwaren. Niet beseffend dat die boodschap zélf een virus is dat Ronse nu al een halve eeuw verlamt.
Hun discussiepunt is steriel verpakte gebakken lucht. Gegarandeerde taalhoffelijkheid is immers vanzelfsprekend voor eenieder die wat verder kijkt dan zijn eigen kleine bubbel. Bij uitbreiding hoffelijkheid tout court en respect voor elke Mens.
Een overbodig debat is het, dat enkel dient om de zelfverklaarde redders van het oude avondland en het verzameld extreem gedachtengoed aan een vet politiek mandaat te helpen. Zich ondertussen profilerend als Verlossers van Ronse. Aldus het nieuwe obscurantisme en de onderliggende crypto-xenofobie als sluipend gif propagerend van in Ronse tot in Rome.
Wee wie er een andere mening dan hen durft op na te houden, zich niet gedwee houdt aan het opgelegde marstempo en het gerinkel van de bellen, bij dag en bij nacht.
Een politieke hidden agenda die zich aldus genesteld heeft in het mooiste erfoed van Ronse. Waarbij voor de (zelf gesubsidieerde) partijtrollen op de sociale media tot de Ronsese patroonheilige Hermes toe, zijn clandestiene Fiertel, zijn gerestaureerd paard en zijn gesubsidieerde basiliek vooral moeten dienen om zichzelf vol gezwollen retoriek en heraldiek, te verheffen boven de ander, in de bubbel genaamd Ronse.
Nee, met taalhoffelijkheid heeft het allemaal allang niks meer te maken. Wel alles met zelfrespect en hoffelijkheid voor élke Ronsese medemens, inclusief anders denkenden.

02 november 2020

 AVONDUREN

Ronse. Een handleiding.
20. Wees gegroet, Valère.
‘Hey Chico, moe k'ik
va zu verre kommen,
veur zu ’n dun boekske ?’
Voor mij staat mijn nieuwe kameraad Roger De Vlaeminck. Goedlachs als een schalkse ruiter zwaait hij me toe met zijn ovenvers exemplaar van ‘Zonde van Nini’ dat hier net door voormalig burgemeester van Ronse Jacques Piessevaux bovenop de Kwaremont is gepresenteerd terwijl ik zelf krom gebogen en redelijk overrompeld met de kramp in de hand signerend over de desk hang.
Sinds de verdwijning van Spectator magazine wordt mijn schrijvend beroepsleven gevuld met coureurs, chanteurs, footballeurs voor het gezellig familiaal weekblad Zondagsblad.
Roger heb ik on the road ontmoet in zijn mooie hoeve in Kaprijke. Hij ontvangt er me als kende ik hem al mijn hele leven, trapt tussendoor op zolder als een kwajongen één van zijn talloze koersbekers weg, die van de Giro d' Emiglia. Meer moet dat niet zijn, zo spontaan kom ik ze niet vaak tegen. Zelfs bij 'de kleine Planckaert' in Meigem niet en dat wil wat zeggen. Roger doet me zijn levensverhaal, het is ingewikkeld.
Het klikt, we rijden samen naar de Tour, vliegen naar de primavera die hij zeven keer gewonnen heeft en waar hij, hoe kan het anders, van aan de dom van Milaan tot op de Poggio als een ware Italian hero wordt onthaald.
Nu staat deze geil gebleven puber hier in Galerie Beukenhof op de Kwaremont in een wereld die totaal de zijne niet is, ondertussen wel helemaal de mijne is geworden. Ik ben blij met zijn aanwezigheid. Hier in het mooie vroegere buitengoed van mijn grootvader, de ooit rijk geboerde textielbaron uit Wortegem.
Hier aan de Ronde van Vlaanderenstraat bovenop deze Kwaremont begint het echte verhaal achter mijn romandebuut ‘Zonde van Nini’. Kort na de publicatie schrijft de VRT me aan, ze willen de roman verfilmen voor de Reeks ‘Made in Vlaanderen’. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, ik weet niet wat me overkomt, ken helaas de vele valstrikken bij zo’n verfilming nog niet.
In ‘Zonde Van Nini’ steken drie lagen. Dees, dertienjarige puber doorziet de schone schijn van de rijkemanswereld, sluit vriendschap met de smid van de fabriek, doorprikt dank zij hem het paternalisme en de hypocrisie van het bescheten textielbaronnenwereldje van toen (schouderklopjes, geen opslag), voelt via de verhalen van zijn grootvader de spanningen tussen de zelfverklaarde economische elite van Franstalige Ronsenaars versus het Vlaams werkvolk.
Mijn verhaal heb ik gesitueerd op de achtergrond van het eerste van de twee wereldkampioenschappen wielrennen in Ronse. Dat van 1963 waarin Rik Van Looy op de Glorieuxlaan nipt geklopt wordt door Benoni Beheyt. Hoofdpersonage Dees wordt er als ijsventertje voor Ola op de tribune geraakt door het verdriet dat hij meevoelt met Nini Van Looy, voor hem zoveel mooier nog dan de wonderfee op zijn kamerwand Marilyn.
Met de geplande verfilming gaat aanvankelijk een jongensdroom in vervulling, duik ik in de wereld die ik in Ronse eerder al eens proeven mag als mijn oudere broer Johan, cameraman voor de VRT thuis op de Steenbrugge in mijn jongenskamer Axel North komt filmen.
Wat veelbelovend wordt aangekondigd als mini-serie is bij gebrek aan middelen onderweg deerlijk verminkt tot één uur film. Van de drie lagen blijft een flauw afkooksel over. Mossel noch vis, kop noch staart.
Wat er voor mij bij de verfilming vooral toe doet is Ronse op de kaart zetten. De insluiting van Ronse onder de brede aandacht brengen erbuiten. De door Brussel opgelegde beperkingen van een Vlaamse stad die administratief is vastgeklonken in een wurgstatuut dat Ronse als kernstad helemaal en zonder fusiemogelijkheden op zichzelf terugsmijt voor alle lasten, belet te groeien en elke degelijke ontsluiting tegenhoudt. Het sleutelverhaal van de grootvader, met zijn kleinzoon Dees op de wandel boven Broeke.
Niks van dit alles komt over zoals het hoort. Ondanks een droomcast met Dora Van der Groen, Katrien Devos, Hugo Vandenberghe (aan de acteurs zal het niet liggen) blijft de kijker achter als een kieken zonder kop, zoekend welke richting het uitgaat. Geen enkele dus. In vier achtereenvolgende versies is het scenario helemaal ontmanteld, kaal geplukt. Van de beloofde drie uur sfeervolle inleving naar één koude soep zonder ballen. Eenieder op zijn honger. Niemand echt content.
Achteraf zal ‘Zonde van Nini’ me wel terugvoeren naar de wereld waarin ik als kind al door de familie van mama ben meegezogen. Die van het theater en de wondere Ronsese wereld van de Tavi revues.
Drie keer krijg ik zelf eerst nog te maken met de enige echte ware bedenker van de legendarische Tavi en zien schuun Madleenekie.
De eerste keer in Ronse in Restaurant Lou Pahou (nomen est omen) als het radiogezelschap van Jos Ghysen daar komt neergestreken. Valère Depauw, boezemvriend van Leo Vindevogel, auteur van Tavi en inmiddels een heel oeuvr leer ik er kennen als een hoogst gedreven auteur vol gezonde zelftwijfel.
'Jongeman ik heb veel teveel geschreven'.
Op een zondags Davidsfondscongres in Antwerpen dat ik als verslaggever beroepshalve voor de krant bijwoon, komt de tweede ontmoeting. Ronse heeft hem al die jaren niet losgelaten. Maar sinds ‘De dood met de kogel’ van zijn vriend Leo kan Ronse voor hem nooit nog hetzelfde zijn. Voor elke Ronsenaar mag hij dan nog met zijn onvergetelijk universum van Tavi & Madleenekie het hart harder doen kloppen, zelf wil hij dat niet echt meer geweten hebben. Hij schrijft nu mystieke, magisch-realistische turven van boeken die Davidsfondsvoorzitter Norbert D’Hulst op een dag in mijn stekje aan Broeke deponeert, bij wijze van duidelijke hint. (Hier zie, dat is eens nog wat anders dan Tavi of flinterdunne boekskes over coureurs).
Valère heeft ongelijk, vind ik om aldus zelf neer te kijken op zijn Tavi als niks meer dan een burlesk verschijnsel. Met Tavi tovert hij integendeel magistraal een hele vergane époque van het echte diepe Ronse uit de pen. Meer dan je ooit kan doen met een hooggeletterd moeilijk boek van duizend bladzijden.
Niemand doet het hem na, nooit. Tavi blijft zijn creatie. Hoe leuk ook de afsplitsingen die ik er achteraf, mede dank zij het initiatief en het talent van mijn schrijfbroers Geert Desmytere en Koen Lauwereyns, in volle vriendschap met hopen lol en een Beurooboekske vol nieuwe liedjesteksten zelf mee op de planken zetten zal.
Klak af voor Valère. De laatste keer dat ik hem ontmoet, ligt er een Vlaamse Leeuw op zijn kist.We zitten met een Ronsese delegatie van Voor Taal en Volk in Sint-Job-in-’t Goor waar Valère Depauw zijn schrijvend bestaan na de dood van zijn vriend Leo heeft voortgezet. Op de koffietafel na krijg ik van iemand een publieke blaam omdat ik geen weesgegroetje meelees voor de boterkoeken en ik...
‘NOCHTANS NIET ZO GEKWEEKT
BEN DOOR ROBERTE, MIJN MOEDER!’
(Ik heb mama nooit weten bidden. Sinds de vroege dood van papa heedt ze als weduwe met vijf kinderen zo al de handenvol. Geen plaats en geen tijd voor ook nog het prevelen van paternosters).
Maar goed, beter laat dan nooit. Ons Heer moet van elks zijn getal hebben en aan een struik patatjes hangt er van alles. Hier dus mijn postuum gebed.
Wees gegroet
Valère vol van
genade
de eeuwige leute
zij met u.
Geëerd
zij uw naam
gespeeld
de grollen
van uw revue.