23 oktober 2017

SELECTIEF GEHEUGEN

LA CALANQUE DU BON DIEU



Ik krijg ‘L’Homme de Porquerolles’ aan huis bezorgd. Zeer bedankt, zucht ik. Mijn leesachterstand valt helaas niet meer bij te bladeren. Overal in huis dagen literaire parels me uit met hun roemrijke titels. Stapels ongelezen meesterwerken. Ongelezen vanwege altijd wel een ander boek eerst. Ze zadelen me op met een constant gevoel van schuldig verzuim.

Gelauwerde Russen. Gevierde Amerikanen. Nobele Jappen. Eén goede recensie, één uitzending en ik rep me naar Lille (Le Furet du Nord), naar Oudenaarde (Beatrijs) of naar Gent (Het Paard van Troje) haal het geprezen werk in huis. Om het – zo neem ik me toch voor - zonder verder uitstel tot mij te nemen. Bibs kennen nu eenmaal geen genade voor mijn gigantische leesachterstand. Aldus schuif ik leesgretig de nieuwe Stefan Hertmans voor de jongste Modiano, mix ik tot vijf boeken tegelijk, kom ik voortdurend leeswijzers tekort. Mijn boekentorens worden eindeloos aangedikt met telkens weer nieuwe exemplaren die tenslotte zullen eindigen bovenop de vervaarlijk dansende papieren buildings om me heen. Lionel Deflo, mijn uitgever bij Manteau toen het aloude schrijfhuis van barones Angèle nog geen knekelkot was, vertelde me ooit dat hij meer dan 10.000 boeken verslonden had, nog lang niet aan stoppen dacht. Van een chronische leesverslaving genees je nooit.

Het boek over de man van Porquerolles wordt me vandaag ter lezing aangeboden door een fidele jeugdvriend, mij op diens vraag bezorgd via een gemeenschappelijke kennis. Er zit een netjes gevouwen plan in. Daartussen een mooie handgeschreven brief: zie je wel dat er nog brieven geschreven worden. Mijn jeugdvriend stapt dan ook liever in zijn eentje in stilte langs La Calanque du Bon Dieu en La Crique de la Galère naar Le Port des Anges dan eindeloos in het rond te dolen door het lege landschap van Facebook.

Een halve eeuw na onze gedeelde wonderjaren haalt hij me prompt met dat boek, zijn zeer uitnodigende landkaart en zijn lieve begeleidende brief helemaal terug naar alle plekken waarvan ik me zelf al lang voorgenomen had ze hier in deze liefdesbrief aan Frankrijk ooit weer tot leven te brengen. Toeval bestaat niet. Telepathie dan.

‘L’Homme de Porquerolles’ vertelt het fantastisch levensverhaal van de Belg François Fournier, selfmade man van negen levens. Fournier komt eerst moeizaam aan de bak als boottrekker langs de kanalen van Le Plat Pays, wordt zelf binnenschipper, dan laborant in het Musée de l’Histoire Naturelle, schopt het tot ploegbaas bij de Canadese spoorwegen, wordt tenslotte goudzoeker in Mexico waar de grootste goudader van het land al op hem wacht. Schatrijk laat hij Les Belles Parisiennes voor wat ze niet zijn. In 1912 koopt hij het eiland Porquerolles, schenkt het aan zijn vrouw als hun eigen ‘paradis sous les pins parasols’. Ik kan niet wachten om het verhaal helemaal te lezen…Het schrijven van het mijne staat helaas voorlopig het doorlezen van het zijne in de weg.

Over dat schrijven lees ik in een doe-boekje van The School of Life over ‘Kalmte’ (die me redden moet van de ego-maatschappij en agressie alom): ‘Auteurs moeten het materiaal misschien tien of twintig keer herschrijven voordat ze kunnen begrijpen wat ze nu eigenlijk willen zeggen. Zo lang hebben ze er gewoon voor nodig om hun ideeën te ontrafelen.’ Dat ik daar na een halve eeuw schrijven nog niet was achter gekomen. Daar word ik dus helemaal kalm van.

Op de kaart bij het boek staan alle plekjes die onze jeugdjaren kleurden. La Plage de Notre Dame. Op de keerzijde staat La Tour Fondu met, aan de westkant van het schiereiland Giens: La Pointe de l’Ermitage en La Madrague. Nee nièt die van de wiebelende zeehondjesmythe die Saint-Tropez compleet naar de espadons hielp. Onze Madrague. Die van Esther Gallil in het ochtendgloren. Ik leg ‘L’Homme de Porquerolles’ weg op het meest dringende boekentorentje, binnen handbereik, schrijf mezelf onderweg naar de boorden van de Loire.

Ik zit pal achter mama in de bloedhete Opel, de dijen gemarteld door de plakkerige rozerode kunstlederen zetels. Hoe mama moeizaam aan dat zware stuur zonder servo snokt. Hoe de zweetdruppeltjes in de kromming van haar hals komen parelen. Hoe de Paranausine tegen de autoziekte me nog misselijker maakt dan ik al ben. Hoe ik de citroenpapiertjes van Huiles Antar uit hun hoesjes pits. Hoe ik er zachtjes mama’s hals mee masseer. ‘Dat doet deugt, jongen. Niet te hard. Want mijn vel brandt.’ Terwijl legioenen camouflage-platanen links en rechts van de Route Nationale als pijlen langs me heen schieten.

'Selectief Geheugen'.
(Onder auteursrecht).

20 oktober 2017

SELECTIEF GEHEUGEN

DE LIEFDESBRIEF



Elke week zie ik uit naar haar Air Mail. Hemelsblauw met golvende streepjes zoals op spuitbussen van Vidal Sassoon. Wanneer ik nu kom overvliegen? Kunnen we onze summer of love voor altijd voortzetten.

‘Let me sleep on it’, schrijf ik haar terug, in golvend Engels met gelakt haar op. Nep Amerikaans dat Frankie me in stoomtempo bijbrengt, bovenop mijn schamel schoolrooster vol dode talen. Frankie ligt gelegerd aan de radar in Flobecq. Daar houdt hij de Russen tegen onder leiding van kolonel Camaro, Fats Domino in light versie.

Op een dag kiepert Frankie zijn machtig mooie GI-zak vol cornedbeef conserven op mijn bed op zoek naar een verse slof Camels. Tovert een landkaart uit zijn rechterbeen in kaki, prikt een enorme landkaart tegen de enige nog vrije wand van mijn jongenskamer (die met het wijwatervaatje van de Heilige Maagd van Wittentak), toont met zijn dolk waar volgens hem de enige echte place to be ligt: Montana. Niks geen zeemzoeterige zever uit San José California die een mens wil doen vergeten dat er in Montana echt wilde beren - geen tamme circusbeesten - op de loer in de bomen hangen.

‘Let me sleep on it, Frankie’ zeg ik. (Ik hoest me de pleuris aan mijn eerste en laatste Camel maar weigeren is geen optie). Frankie logeert al een paar maanden bij ons thuis op kamers in afwachting van de derde wereldoorlog. De eerste Mig-piloot op de radar in Dhoppe eindigt zijn verhaal gegarandeerd in de zavelgroeve aan het Brakelbos. Met dank aan Frankie.

Nu en dan krijg ik ook een brief uit Engeland. Van een oudere schoolkameraad. Zijn ouders hebben hem naar Cambridge gestuurd om er poepsjiek Engels te leren. Het eten is er verschrikkelijk, schrijft hij me. Hij verveelt zich stierlijk, wanneer steek ik over om samen the London years collection in my life te mikken? ‘Let me sleep on it’, schrijf ik.

Een andere schoolmakker verkast helemaal naar Antwerpen. Zijn vader is manager bij Koekjesbaron De Beukelaer. Om dichter bij de koekenbak te wonen, verhuist hij met heel zijn nest naar ginder. ‘De sinjoren zijn giel speciol’, lees ik. ‘ De nulmeridiaan loopt er dwars door de stand van het knekelhuis Manteau op de Boekenbeurs.’ Let me sleep on it, schrijf ik. Een jaar later verhuist hij naar Gent . ‘Zo speciaal zijn die sinjoren nu ook weer niet’, schrijft hij me in zijn laatste brief.

Zichtkaarten krijg ik van overal. Capri c’est fini, Amalfi: aussi. Torremolinos, Malaga. Barcelona. Ik kleur er elke vrije wand op mijn kamer mee. Het helpt me de wonderjaren door te komen. Dat en een miljoen keer mijn basketbal van bij Tigris Sport in de ring mikken op het pleintje onder de kastanjes aan de overkant.

Brieven. Zichtkaarten. Kerstkaarten. Wie schrijft ze nog? Ik. Een laatste liefdesbrief. Vanuit mijn ‘Selectief Geheugen’. Een liefdesbrief naar mijn ultieme beloofde land. Mijn afscheidsbrief ook na vijftig jaar schrijven.

‘Zeg dat niet’, lacht de goede schrijfbroer van altijd met wie ik in duo net een heel begeesterende schrijfervaring voor theater heb afgewerkt. Om dat te vieren, zitten we samen aan de dis met een vis langs de Champs Elysées van Vlaanderens groenste dal. ‘Zeg nooit dat het je laatste is . Je zal het schrijven toch nooit kunnen laten’.

Let me sleep on it, zeg ik.

'Selectief Geheugen'. (Onder auteursrecht).

27 juli 2015

BRIEFGEHEIMEN

DE BEVRIJDING VAN RONSE
VOLGENS THIERRY LA FRONDE




Dju, Tante Zulma had gelijk. Tussen twee wafels door die ze - alle gaatjes boordevol goeien boerenboter ze 'insisteerde' daarop - serveerde op woensdag in het zilverwarenzaakje van haar zuster tante Hélène onder de ouwe Sint-Martenskerk, beweerde ze steeds weer dat de 'Drouautsies' en dus ook jij, mijn grote jeugdheld Jean-Claude Drouot alias ‘Thierry La Fronde’ Ronsese roots hadden… ‘langst de kant van de Mahieutsies'.

Ik dacht dat tante Zulma uit haar pretoogjes kletste. En zie, als ongeneeslijke alleslezer (en helaas heavy bookspender) stoot ik vanmiddag bij één van mijn speurtochten in het Rijselse in de Furet du Nord toch wel op jouw memoires. Natuurlijk kan ik het daarbij niet laten om stante pede en ter plekke de beweringen van wijlen mijn lieve oud-tante Zulma na te trekken op hun betrouwbaarheid.

Wat blijkt? Dat Constant Mahieu, je peter en grootvader langs moeders kant, echt in Ronse woonde en er een textielfabriekje runde. 'Een liberaal, een boogschutter en een duivenmelker'. Zo beschrijf je hem. Een combinatie die ik voor je rekening laat: tegenwoordig melken liberalen geen duiven meer. Ze verbouwen dure wijnen in Toscane. Ze spellen Grieken de les en melken voor de rest alle niet-gefortuneerde Belgen. Bon soit.

Een duivenmelker dus. In die mate zelfs dat de duivendrek nog altijd in je neusgaten nastinkt. Dàt ken ik. Mijn eerste schriftjes schreef ik zelf - met snel stollende inkt - vol op de koude duiventil van mijn bompa op de Steenbrugge. Nu en dan kon ik helemaal herbeginnen vanwege verse binnenvallende duivenshit uit Cambrai.

Jij Thierry la Fronde, mijn jeugdheld, met roots in 9600! Mijn geluk kan niet op! Het heeft trouwens maar een decenniumpje gescheeld of we konden - tuupe tsjegoere!- kaatsballen kletsen tegen de muur van 'Taumasies' fabriek aan de Steenbrugge of all places. Want wat verderop vertel je hoe je de laatste twee oorlogsjaren doorbracht in…. de Zonnestraat haaks erop. Als kind kwam je trouwens altijd al naar Ronse met je mama zo lees ik.

‘Tous les quinze jours, nous allions à Renaix, dans sa famille. Ma maman ne manquait jamais de se rendre et de m’emmener sur la tombe de sa mère. Ce souvenir s’associe dans ma mémoire aux ‘Roses blanches’, chanson de Berthe Sylva qui passait alors sur les ondes…’

Onderstaande bekentenis laat ik je eigenlijk liever zelf doen.

‘…Je me rappelle encore, le rouge au front, le jour où j’ avais pris sans son autorisation une petite balle pelote de cuir blanc dans la boutique familiale, lors d’une visite à Renaix. A bord du train qui nous ramenait à Deux-Acren, j’ai sorti admiratif, la balle de ma poche. Maman était tellement fâchée de ce larcin qu’elle n’a pas hésité à m’en faire le reproche en public…et à me couvrir de honte devant les autres voyageurs. Je lui dois mon aspiration à l’honnêteté.’

Dat jij mijn jeugdidool, reddende ridder van prinsessen in nood opgesloten in Sadeske ivoren torens bedreigd door schurftigaards...dat jij, de eerlijkheid en oprechtheid zelve tegenover die vetzak van een baljuw en al zijn handlangers ... dus zelf hier in Ronse nog wel, eigenlijk ooit kaatsballenjatter bent geweest kijk zie jeugdheld van me: dat verhoogt voor mij nog de epiek van je heldhaftige doorgroei: van gappende schildknaap tot rechtvaardige Ridder van de Vierkanten Tafel.

Vijf en een half jong ben je, zo lees ik, als je in de Zonnestraat weggedoken onder het raam toekijkt op de bevrijding van Ronse.

‘Mon oncle et moi étions allongés sur le sol du magasin de mon grand-père lorsque nous avons vu passer les derniers véhicules allemands. Ils fuyaient la ville par la Zonnestraat – la rue du Soleil-, poursuivis par les résistants flamands'.

(Ik citeer hier maar hé- mais je n'en pense pas moins, Thierry) .

'Est ensuite arrivée l’armée écossaise commandée par Monty Clift, le libérateur de la Flandre' (sic).

'La journée fut marquée par deux incidents affreux: la mise à sac de l’imprimerie d’un homme qui avait collaboré avec l’occupant – je revois son atelier jonché de cases brisées et de caractères en plomb, don’t l’un finit dans ma poche d’enfant – et le massacre d’un civil coiffé par dérision, d’un kepi allemand. On sortit le malheureux, ensanglanté, de l’hôtel de ville pour l’emmener jusqu’au lieu de son probable supplice'.

De vernieling van drukkerij Goebeert en de bevrijding van Ronse door Monty Python pardon Clift, vu et vécu par Thierry La Fronde.

A Renaix ça est quand même kekchose.



Bon dat pikken (van kaatstballen, van loden letters van de gevallen drukker Goebeert en wat al niet) lijkt wel een terugkerend kleptomaan patroon bij jou …Maar oké Thierry (mag ik je Thierry noemen Jean-Claude?) wie ben ik om hierover - als je fan number one - moeilijk te doen.

Wat je alvast nièt gestolen hebt, is je ronduit schitterende film-en theaterloopbaan. Beroemd ben je sindsdien geworden in de hele Francitude. Jarenlang titularis van de ‘Comédie Française’. Met ondermeer ‘Jaurès’ ben je helemaal doorgegroeid naar het grote betere werk en de eeuwige roem.

Mocht dit welgemeend Ronsies eerbetoon - diepe dank omdat je ons stadje in het groenste dal van Vlaanderen niet vergeten bent - je onder ogen komen, dan hoor je ook te weten dat je hier altijd zeer welkom bent. Ik zal je zelf graag tonen hoe mooi Ronse tegenwoordig toch kan zijn. Misschien vinden we dan samen, un beau dimanche, op het oude kerkhof waar zowel jouw voorouders als de mijne in vrede rusten dat graf waarop je mama die roses blanches legde voor haar mama.

Het ga je goed, Thierry La Fronde.
Tuupe vuir Ronse, Drouautsie van de Mahieutsies, kameroed.
Ien Ronses ees dat iet.

Aan Jean-Claude Drouot alias ‘Thierry La Fronde’, televisieheld van de sixties op de ORTF.

‘Le cérisier du pirate’.
De Thierry La Fronde à Jean Jaurès.
Mémoires. Editions L’Archipel.

17 juni 2015

BRIEFGEHEIMEN

EEN BEELD VOOR BUUNIE



‘’t Is nie waar hé alle buuntsies weeral op ik had het kunnen peizen’.

Ik hoor het mijn oogappel Margot (2) zo zuchten. Als ze wat groter is, vertel ik haar - bij leven en welzijn - over jou. Als je standbeeld er staat op het pleintje voor de Passage. Hoe ik je in de Cité Bara leerde kennen toen mijn maat Paulke en ik er knikkerden voor de buuntsies die jij wat verderop als een witte magiër onder je zwarte alpenmutsje bekokstoofde in een van je rijhuisjes daar. Het verhaal ging dat je ongeveer de hele steeg ‘ien oa booze’ had gepoft. We zagen je het ’t donkere gangskie op en neer stappen. Vanuit de buik van Ronse recht naar het hart van de binnenstad met je ‘mande’ die je hier in de cité steeds weer kwam aanvullen. Geen fancy-fair of match of je stond er met je bijkans lege korf. Je was dan ook de bedenker van de meest succesvolle Ronsese markttruc ooit:

‘'t Zijn de leeste. Noog vuir ne kalant oof twie’.

De Cité zat vol leven toen. Ik zag er bompa’s op hun omgekeerde stoel, bedacht er vele jaren later een liedjestekst bij voor wijlen De Gevuigoode Mandolienen. Nu en dan kreeg je er het gezelschap van de scharensliep. Er woonde, dat spreekt vanzelf, niks dan goed volk. De sociale controle zorgde ervoor dat onverlaten er zonder veel complimenten werden buiten geschreeuwd. Zo nodig weg gestofd met de matrassenklopper. Street Fighting Wonder Years.

Om vier uur was er een boterham met Kwatta en warme choco bij de Bomma van Paulke. Nog wat later op de avond kwam zijn papa helemaal van Brussel waar hij als drukker werkte. Aan tafel foeterde hij onveranderlijk over de slechte treinverbinding in het algemeen en de selectieve doofheid van de Ronsese politiekers daaromtrent in het bijzonder. Zo’n papa had ik als vaderloos kind wel voor mezelf gewild. Later zou Meneer Albert de peetvader worden van Weekbladgroep AZ.

De Cité is tot op vandaag vrijwel ongerept gebleven. Heb ik onlangs in een nostalgische bui gecheckt. De mensen van toen zijn dood of weg. En ook al jouw huisjes in de dwarsstraat. Na schooltijd zie je er nu andere kereltjes hun eigen wonderjaren kleuren met hun zelf opgefokte buuntsies nuitsies. Sur le Parking des Anges.

Dat je nu je standbeeld krijgt in De Passage brengt me ook terug naar de tijd van onze ontdekkingstochten over de daken van de fabriek aan de Olifantstraat tot helemaal boven de binnentuin van de Arme Klaren. Misschien zouden we er God zelve zien. We zagen helaas Klein Pierke . Aan de zuidkant reikten de dakgoten tot waar nu die parenclub van Belmondo zijn gewezen lief staat te glitteren bij nacht. Niet alleen in West-Vlaanderen liggen geiligheid en heiligheid vaak verstrengeld in eenzelfde tongkrul.

Er waren nog wel andere Buuntsiesmarchands. Maar jij was van hen allen dé ster. Met dit standbeeld brengt de Werkgroep ’t Ronsies Geklapt van deCultuurraad Ronse helemaal terug tot wat het altijd geweest is en blijven moet. Een stad van en voor alle mensen tuupe. Jouw beeld zal ons daar voor altijd aan herinneren.

Zitten we hier niet beter dan bij pakweg de ‘buuneklakers’? Ik denk het wel, Julien.

Aan wijlen Julien Deraedt, Buuntsiemarchand.
Door Valère Depauw ook vereeuwigd in ‘Tavi’ als ‘Cannoo’.

30 maart 2015

BRIEFGEHEIMEN

DE REUS EN DE RORE



Dat ze het bronzen hoedje van je graf hadden gegapt. Dat was tot dusver het laatste wat ik over jou vernam. Niks nog respect. Ze pikken het Kindje Jezus uit zijn kribbe. Ze plunderen het brons van de graven. Ze verknallen de vers gevoegde kerfmuren van de Stadstuin. Ze bekladden hele muren met onnozele peeties. Voor de ene krabbel worden we aangespoord om mee de dader(s) op te sporen en tegelijk wordt een Wijnstraat-gedrocht met veel Picturale poeha onthuld door de burgemeester hemzelve met de daderes erbij op een hijskraan. Je moet tegenwoordig rap zijn om ze te volgen. Minister Ben Louisa Gustaaf Weyts sleurde er vorige zaterdag in 'De Passage' onder de gerestaureerde schilden van Jan Van Nassau zelfs Gewijde van Dampierre bij om de Slag der Gulden Sporen bij wijze van toeristische promotie lichtelijk te verschuiven, van Groeninghe naar Ronse. De geschiedenis wordt geschreven door de winnaars. Was dat in jouw tijd ook al zo, professeur? Die tomeloze recup? Als ik al die ouwe foto’s digitaal zie herleven, heb ik de indruk van wel. Pakte je daarom als levende Ronsese legende je biezen naar Oostende? Omdat je de reuzen van de middelmaat als concurrenten voor de roem niet meer aankon?



Honderd en tien jaar na je geboorte zal je hier andermaal met muzikale eer overladen worden. Galaconcert met onder meer sopraan Astrid Stockman. En Andrei Lugovski uit Minsk die volgens zijn bio ‘zo’n unieke zangstem heeft dat ze moeilijk te omschrijven valt.' Al moet je met dat laatste wat uitkijken. Dat zegden ze van De Gevuigoode Mandolienen ook. Of het als compliment kon beschouwd worden, blijft nu voor altijd een open vraag. Ien Ronse ees dat iet.

Hoe zouden de Ronsenaars je ooit kunnen vergeten? Jij, fondateur der Boomoofiesten. Wereldvermaard beiaardier, tot in Sluis toe. Componist van wel vierhonderd liedjes. Behalve het ‘Lied der Bonmoss’ dat nu al in het collectief geheugen van elke Boomoo nazindert, ook meer verheven muziekjes als die ‘Ode aan Jan Piers’ (eat this, burgemeesters van Ronse), de ‘Mars voor de Visserskaai’. En als laatste parel voor de Bommels: ‘De vier Reuzen van Ronse’.



Vereeuwigd ben je ook, als ze tenminste de knopjes niet pikken, door je muzikaal monument aan de Zottenmuur. Pal aan wat volgens het stadsbestuur ‘De nieuwe Boulevard des Champs Elysées van Ronse’ worden moet. Eeuwige roem aan de Elysese velden van Ronse! Wie wil daar niet voor tekenen?

Maar er is meer waarvan ik zeker weet dat het je plezieren zal. Uitgerekend op de dag van dat Galaconcert is er ten stadhuize een academische zitting voor de herdenking van een ( wees gerust: véél minder bekende) muziekmaker uit 1515. Ene Cyprianus de Rare die zelf terecht genoegen dient te nemen met dat bescheiden beeldeke: helemaal verdoken om de hoek van de Grute kierke. Diep onder de stek van waaruit jij helemaal bovenaan de kerk eigen composities als ‘Valse Bleue’ en ‘Vlaams Vredeslied’ over het vredevolle Klein Marktje liet neerderdalen.



Vraag aan een Ronsenaar wie die Cyprianus de Rore was. Hij zal het tot in Mechelen horen donderen. Vraag hem wie ‘Mootie’ was. Hij zal je prompt de weg wijzen naar de Zottenmuur. Of naar ’t beeld van Rik Wouters aan de Hoge Mote, erbij vertellend dat jij de echtgenoot van die piekerende madam daar was. Dat je des zomers in je lange onderbroek op de beiaard je eigen ‘Ave Maria’ tokkelde. Dat al haar huiselijke zorgen je telkens weer dreven tot nieuwe ‘grute prozekten’ zoals je je plannen noemde.

Want alle Boomoos op één Zoote Mondaag in 1950 weten te rassembleren om ze gaandeweg drie dagen van hun eigen huiselijke zorgen weg te houden, daarvoor moet je dus een echte Ronsese Reus zijn. Dat ze niet in massale getale op je begrafenisplechtigheid in Sint-Hermes waren de Ronsenaars, daar moet je vooral niet van wakker liggen in je graf. ’t Was toen just congé payé. In afwachting van de volgende Boomoofiesten waren ze allemaal naar de zon en de zee. Daarmee.

Aan wijlen Ephrem Delmotte.

Galaconcert 18 april. COC. Info en reservatie: Cultuurdienst Ronse: cultuur@ronse.be Archieffoto Bommels: Ephrem Delmotte links met het eerste Koningskoppel der Bommels. Foto's Wijnstraat en Passage Fabrice Gevaert

18 februari 2015

BRIEFGEHEIMEN

SORRY VOOR MAURIZIO
ZIJN BLINKENDE VELO




Putain Criq, v’la que t’es mort
mi j’suis pas d’accord .


Wat er van jou op mijn netvlies gebrand zit? Hoe ik in Chambéry met Paul Van Himst, je pr-man in die dagen, je hotelkamer binnen stap. Het is dan net voor de start van het WK. Hoe je soigneur het spuitje eerst even in de lucht uitprobeert, dan razendsnel in je blote bil prikt. Hoe ik je beroepshalve vraag ‘c’est quoi ça Criq?’ Hoe je me, met dat heerlijk Waals accentje van jou, toelacht:‘t’inquiète c’est du fer...' Als journalist zie ik in die jaren baxters ( in Italië, vooravond Milaan- San Remo), spuiten, plastic zakken vol ‘vitaminen’. Teveel om nog argeloos van koers te houden zoals in de wonderjaren met Nini op de tribune, hier wat verderop aan de Glorieuxlaan. Net niet genoeg om er - als verslaggever - wat mee aan te vangen. Schrijven zonder bewijzen, daar hangen in dat milieu dure claims aan voor krantenuitgevers. Zal ik er dus maar van uitgaan dat ze klopten, de voorgekauwde verhalen van ijzer in je bil en ‘koninginnebrei’ waarmee sportdirecteur Berten De Kimpe zijn ‘jongentsies prepareerde’.

Een ander beeld van jou hou ik over aan je beste Tour. De hele dag zat ik naast Jefke Braekeveldt achter je aan onderweg naar de top van Alpe D’Huez. Onmenselijk warm. Onmenselijk hard. Krakende knoken. Krakende kettingen. Knallende drinkbussen. Haarspeldbochten. Duizelingwekkende afdalingen.

Dan dat beeld van jou hier in Ronse zelf natuurlijk. De foto die de wereld rondging. Ik ben je in de weken ervoor gaan opzoeken in Deux Acren. Je vertelde me hoe je de druk voelde en eigenlijk alles te verliezen had als gedoodverfde kandidaat-winnaar met een parcours op maat. Verliezen was geen optie. In Ronse, geboortestad van je sponsor Robert Depoortere en van burgemeester-organisator Orphale Crucke, je advocaat. Het ging dus mis. Hoe je daar als een hoopje ellende naast me zit net na de ram(p)koers, in de Ford van Noêl Vergucht. De langste rit van je leven, van boven de Kruissens naar de Ommegang ten huize Crucke.

De rest wordt uitgebreid naverteld in ‘De Vloek van Ronse’. Je verbittering omdat het allemaal niks gegeven had, integendeel. Er waren nog kosten bovenop. Je had onbetaalde premies tegoed. Dat laatste zei je me zo langs je neus weg in de Gentse Forelstraat, bij een inschrijving voor De Omloop Het Volk. Je was dan zelf al sportdirecteur. Ronse zou een donkere bladzijde van je levensverhaal worden. Geen titel, wel eeuwige roem zoals voor Rik Van Looy en (evenwel mèt slagschaduw) voor Benoni Beheyt.

‘Ronse dat is daar altijd elektriek’ zegt Eddy Planckaert daar mooi over. Eddy die zelf drie ronden voor het einde zijn laatste kruit verschiet in een onvergetelijke rush boven de Kruissens. Die al weet dat ‘het op is’ en toch nog eens alles uit de kast haalt. Kwestie van Eddy! Eddy! Eddy! te horen uit duizend kelen. Dan naar af, in de ADR-bus.



Weet je Criq, een paar jaar geleden kwam Maurizio Fondriest hier op het stadhuis zijn kampioenenvelo 'Fondriest Renaix' afgegeven. Hij hangt nu te blinken bovenop de kast (de velo dus), in het kantoor van de schepen van sport. Ik vroeg Fondriest toen of het wat hem betreft een gelukstreffer was geweest, die wereldtitel in Ronse. Niet dus. Terwijl Eddy zijn ding deed, had Fondriest jou nog eens grondig getest op de Kruissens. In de laatste kilometers lag hij de hele tijd op vinkenslag vanop de tweede linie. Ideale uitvalsbasis voor de finale sprong. Was er dan al zeker van dat niemand hem kloppen kon. Met of zonder 'De vloek van Ronse' had de beste hoe dan ook gewonnen. Dixit Maurizio. Illusie of trots? Wie zal het zeggen? Magere troost voor jou hoe dan ook. Maar net zoals Maurizio zich verongelijkt voelt omdat weinigen hem beschouwen als de ware wereldkampioen van Ronse, zat jij er mee dat je te weinig erkend werd als wereldkampioen van … Montjuich .

Vandaag hou ik als allermooiste beeld van jou die zomer toen je hier in Ronse, bij het begin van je carrière heel relaxed in bermuda en t-shirt door het Bruulpark kwam gefietst onderweg naar de kleedkamer voor het wielercriterium hier voor de deur. Vrijwel anoniem nog. Een en al glimlach. Stralend van zelfvertrouwen. Een jonge god. Genietend van je eerste gekrabbelde handtekeningen aan de broekjes om je heen. Da waas schuune, zeggen wij hier in Ronse. Rust nu in vrede, champion. Voor ons Ronsenaars is en blijft er maar één winnaar. Die met de fiets aan de hand, de arm omhoog. Sorry voor Maurizio zijn velo ten stadhuize.

Aan Criq. Wereldkampioen van Montjuich.

09 februari 2015

BRIEFGEHEIMEN

STRACCIATELLA OVER MIJN HAND



Het was hoogzomer. We zaten met onze ‘nalatenschap’ hier samen in de tuin te genieten van een ijsje onder de plataan. Je belde me op uit New York. Of ik je leven wou optekenen om het te boek te stellen. Je had nog eens grondig alle stories over jou herlezen en was daarbij tot de conclusie gekomen dat ik je man was. En hoeveel moest het kosten. Je vraag overdonderde me. De stracciatella gleed ervan over mijn hand. Telefoneren en ijs likken, moeilijke oefening.

Het was al zo lang geleden. Een dag uit een van mijn negen journalistieke levens die ik niet gauw vergeten zou. Het klikte toen meteen. Eerst op het kantoor van je platenmaatschappij in Antwerpen. Dan in jouw Italiaans restaurant. Vervolgens toonde je me fier het kloostergebouw dat je net gekocht had. Die twee minuten en vierendertig seconden gewijd aan jouw liefde voor (de fictieve) Marina hadden je wereldberoemd en schatrijk gemaakt.

Zoals ik het toen vooral constateerde bij de allergrootsten op mijn journalistieke schrijftocht (Toots, Adamo, Montand) bleek jij de eenvoud zelve. Geen kapsones. Je zat toen aan driehonderd versies van Marina. Inmiddels zijn het er alweer een veelvoud van driehonderd. En het houdt maar niet op. Ik klik op Spotify, zoek er naar Chico & The Gypsies en jawel: Marina. In alle continenten. In alle genres. Overheen alle beat-en andere generaties.



Ik zei dat ik er moest over nadenken, dat ik me alvast vereerd voelde door de motivering van je verzoek. Dat ik hoe dan ook altijd mijn eigen dwarse schrijfplan volg. Wars van trends, modes, hypes en andere aanlokkelijke opdrachten die mijn wegen kruisen of kruisigen. Ik schrijf en drijf op eigenzinnige koppigheid, op onderling vertrouwen en vriendschap. Je zou me terugbellen. Na die optredens in New York.

Wat je ook deed. En of ik had nagedacht. Ik stelde je voor dat je je leven eerst spontaan vertellen zou aan een dierbare. Ik suggereerde je vrouw Rosie, germaniste. Misschien kon ze het zelf allemaal opschrijven? Dat vond je geen slecht idee: op voorwaarde dat ik zou fungeren als haar eindredacteur. En hoeveel het moest kosten? Je vraag irriteerde me lichtelijk. De uitgeverijwereld werkt op auteursrecht en (schaarse) percenten. Een vast bedrag lag moeilijk. Je begreep het. Je vertelde Rosie je verhaal. Ze stuurde me de eerste vijftig bladzijden. Ik ging er grondig door. Het bleef hoog zomeren. But first things first want tikken en stracciatella likken: een al even moeilijke oefening. Ik zette de tekst geduldig op poten en stuurde hem terug. Iedereen tevreden, zo te lezen in het mailverkeer daaromtrent.

In de aanloop naar de aangekondigde verfilming door Stijn baron Coninx, kwam Uitgeverij Lannoo er echter tussen walsen met, zo zei je het, een steraanbieding voor een package-deal: eindredactie incluis. Je vond het vervelend, vroeg wat het al geleverde werk kosten moest. Ik zei: niks graag gedaan beschouw het als een vriendendienst. Een jaar later doorbladerde ik jouw boek in een boekhandel tijdens het jaarlijks weekje Koksijde. In het voorwoord maak je allusie op mijn tip. Waarvoor dank. Even goede maats. (Australian Stracciatella plus vanille aan de Zeelaan, met zicht op zomertennis).



Ik heb het je nooit gezegd, als journalist lag dat moeilijk: ik was dus altijd al een fan. Maar mijn respect voor jouw parcours is na het zien van die film alleen maar nog groter geworden. Nu begrijp ik ook beter jouw hardnekkigheid omtrent zaken en geldelijke deals. Als ik zie hoe ze je wilden beletten om mooie muziek te maken. Hoe ze je niet eens een beroepskaart gunden. Hoe ze je als goedkope werkkracht het liefst de mijn in wilden... dan gun ik het je allemaal van harte. De glorie en het geld. De mooiste green van Portugal. De leukste stek van Mougins. Ik moet je wat verklappen. Als ik hier in mijn schrijfhokje wat wil loskomen van mijn ‘schrijfsels’ neem ik mijn mondharmonica, blaas ik jouw Marina en voel ik de schoonheid die je in dat liedje legde.

De film heeft me geraakt. Hoe je je eigen weg gaat en toch je familie helpen wil. De relatie tot je papa heeft me daarbij bijzonder ontroerd. Ook hoe je op je Vespa met je makkers knokt voor Marina als niemand er van wil omdat het niet rockt en zogezegd tegen de tijdsgeest ingaat . Marina is veel meer dan dat: het is tijdloos. Hun gezeik over trends herken ik trouwens goed als auteur. Wie nu geen kookboeken schrijft of thrillers, kan het schudden in die wereld van package deals en promotiemolens.

Gisteren heb ik naar Martin Heylen gekeken op Vier, in herhaling. Hoe hij op prachtige wijze Matteo Simone, de hoofdrolspeler in ‘Marina’ in beeld bracht. Eerst met zijn pa en bompa op een kanon in diens eigen Noord-Italië. Dan in jouw zonnige Calabria.

In die oprechte betrokkenheid van klasbak Matteo herkende ik jouw parcours, beste Rocco. Dat van de jongen die er zichzelf uit sleutelt en tokkelt puur op talent en gevoel. Emotionele intelligentie en kunst. De jongen die zijn accordeon verkoopt om ‘la mamma’ aan wat geld voor de huur te helpen, als papa koud wandelen wordt gestuurd door de genadeloze geldwolven van mijnbaronnen. Zoiets tekent een mens. En, in jouw geval: sterkt hem voor het leven.

Ik vind het fijn van je dat je toen, na al die jaren, aan die jongen onder zijn plataan in Ronse terugdacht om dat uitzonderlijk leven van jou neer te schrijven. Maar het had niet beter gekund zoals het nu allemaal is gegaan. Het ga je goed! Blijf nog lang tokkelen.

Aan Rocco Granata. Levende legende.

15 november 2014

AFSCHEID VAN ZONNEMAN



Zondagochtend 3 september 1944.
Voetpad Abeelstraat.

Morgen vertel ik het Georges, Maurice, al mijn andere schoolmakkers. Wat ik hier vandaag voor de deur van ons huis zie. Hoe de Engelsen de Duitsers weg jagen. Hoe de Ronsenaars eindelijk uit het maquis vandaan komen. Recht uit hun schuilhoeves ergens in de bossen van Ellezelles.

Mooie jonge goden. Mitrailleurs in de lucht. Vreugdeschoten alom. Sneeuwwitte hemden met brede open kragen, op een door de zon getaande huid. Sigaret losjes in de mondhoek. Het haar in het vet. Glimmend. De hemdsmouwen opgestroopt. De stapschoenen vol modder. Cocardes op de borst. De alpenmutsen scheef naar de hals. Meisjes om de arm. Opwaaiende zomerjurken. Vrolijkheid. Bloemen. Tranen van vreugde en verdriet je weet niet wat je ziet.

Later wil ik journalist worden. De meester gelooft me niet. Hij lacht het altijd weg.

'Leer dan eerst maar mooi zonder foutjes schrijven Zonneman', zegt hij.

Horen zien en schrijven. Dat is het wat ik later echt wil doen. Zodat niks van dit alles verloren gaat. Drie schriftjes vol heb ik al liggen. Veilig weggestopt onder mijn bed.

‘Mijn Oorlogsgeheim.’
Door Eric Zonneman.

Wat er in die schriftjes staat, vertel ik niemand. Verzwijg ik de hele oorlog al. Zelfs voor mama.

(Wat ik allemaal gezien heb hiernaast, de dag van die bankoverval door het verzet op 1 oktober vorig jaar. Vooral : wie ik in actie bezig zag. De ene kerel op de uitkijk, weggedoken in zijn krant recht tegenover de bank, ofschoon het regende. Duidelijk de leider. De twee andere kerels op de fiets. In opdracht. Eerst even tegengehouden door de politieman op de hoek. Routinecontrole.

Hoe ze het gedaan hebben daarna.
Horen zien en schrijven…

Maar ik ben geen verklikker. Ze kunnen op mijn stilte rekenen. Zo lang deze oorlog duurt, tot vandaag hoop ik, krijgt niemand mijn kladschriftjes te zien. Ik ben zo blij dat ze het nu halen. Al die tijd heb ik mijn zelf gemaakte cocarde verstopt bij mijn schriftjes. Met erop onze verboden driekleur.

*

Waar blijven ze toch, ik zie geen beweging. Al de hele ochtend hoor ik de mensen hier in de straat zeggen dat ze afkomen. Dat het zeker is. Dat ze al aan de poorten van de stad staan. Aan de passerelle. Aan de Molendam. Dat ze langs de statie de stad binnen gaan komen. Dat de Engelsen ook al onderweg zijn. Dat de Britten zelfs al in het Bois de Lessines gesignaleerd zijn. Dat de Duitsers er vanonder muizen langs Ninove 'über Brussel’ zoals ze het op onze muren geschilderd hebben. Ik had toch veel meer volk verwacht. Een tank. Op de Vrijheidsplaats. Zo’n lawaai, die rupsbanden. Mijn oren doen er pijn van.

*

Waarom wuift die soldaat niet naar mij terug?
Wat doet hij nu, mama? Zeg het hem toch!
Dat ik maar een jongentje van negen ben.
Dat ik alleen maar blij ben dat de oorlog gedaan is.
Dat ik niks tegen de Duitsers heb.
Tegen de Engelsen ook niet.
Als het maar geen oorlog meer is.
Zeg het hem! Dat ik geen geweer heb.
Ik heb geen Lüger en al helemaal geen mitrailleur.
Zeg hem dat hij mij niet mag doodschieten.
Ik ben gewoon een oorlogsverslaggever.
Enfin, bijna. Later wil ik het worden.
Oorlog is iets van grote mensen.
Ik doe niks verkeerds. Ik heb nog zoveel te doen.
Alleen maar wat met mijn cocarde staan zwaaien.
Als dat ook al niet mag op een dag als deze.
Waarom draait hij die mitrailleur naar mij?
Wil je mij bang maken, soldaat?
Sorry maar ik ben niet bang. Wat zou ik?
Jongens van negen zijn niet bang.
Ik ben lid van het verzet. Hoor je me.
Ik verzet me. Zie je, ik lach naar jou.
Zie je me lachen? Zie je mijn tanden?
Waarom lach je niet terug?
Waarom staan je ogen zo kwaad, soldaat?
Schiet dan, als je durft. Is het al wat je kan?
Moest je daarvoor helemaal uit Berlijn komen?
Om jongens van negen zomaar dood te schieten?

(Ik hoop dat mama mijn schriftjes vindt.)

Het afscheid
van Eric Zonneman
in mijn roman
'De Nalatenschap'
waarop ik de theatertekst
'Zonneman' baseerde.

(Wie het hele verhaal lezen wil: 'De Nalatenschap' is nog verkrijgbaar bij Boekhandel Beatrijs Oudenaarde).

10 november 2014

BRIEFGEHEIMEN

DANSEN MET DE PEN



Jouw schriftjes zijn terecht. Mama heeft ze wel degelijk gevonden. Zeventig jaar na je dood met de kogel vinden ze vandaag hun weg naar je geliefde stad, langs de wondere wegen van de herinnering.

Niemand kan nu nog voorbij aan jouw verhaal. Later op de week komen je grote schoolmakkers van nu uit beide onderwijsnetten kijken en luisteren naar wat er zoal in je Geheim Dagboek staat. In wat voor ingewikkelde wereld je hen lang geleden bent voorgegaan .

Zelfs je eigen speelmaatjes van toen herinneren zich weer helemaal hoe ze samen met jou gelachen en gedold hebben. Net voor je werd neergeknald door die laatste nazi in de chaotiek van de bevrijding .

Nee dapper kereltje. Laat je niks wijs maken. Ga vooral niet denken dat je wat dan ook verkeerd hebt gedaan door te staan waar je toen stond. Dat je zogezegd op het verkeerde moment op de verkeerde plek zou hebben staan wuiven, met die cocarde op je jongenshart.

Jongetjes van jouw leeftijd horen nu eenmaal waar ook ter wereld vrolijk en vrij op straat te kunnen lopen. Zonder laf getroffen te worden in de zogenaamde ‘collateral dammage’ van grote mensen die zich gemakshalve verschuilen achter hun grote gelijk om het kwade te banaliseren.

‘Collaterale schade’. Wat een afschuwelijke term toch om het kwade te herleiden tot pech. Vandaag is dat blijkbaar vanzelfsprekend. Een habitude zelfs.

Komt door de systematische mediatisering van zinloos geweld. Je ziet een kop rollen in het journaal. Je ziet driehonderd jonge meisjes, weggevoerd als slavinnen. En je gaat aan tafel voor de Suprême de Volaille.



Ik denk veel aan jou deze dagen, Eric Zonneman. In de Zonnestraat die blijkbaar al die tijd op jou heeft gewacht, kom je nu helemaal weer tot leven. Daar hebben we met velen lang en hard aan gewerkt.

In Theater VTV loop ik met Lars, mijn kleinzoontje van negen (jouw leeftijd voor eeuwig), door de donkere balkongang waarin ik ooit aan de hand van mijn eigen grootvader, een tappist net als zijn kaartvriend 'Mongski Smeet', zelf als kind van negen nog heb rond gehold. Lars wou de geluidspanelen en de belichtingsknopjes zien daarboven. Hoe ze voor de magie van de herinnering zorgen. Dwars door de nacht en de nevel van jouw donkere tijd.

In a sky full of stars.

Net voor de premiere van ‘Zonneman’, het stuk dat ik jouw naam meegaf, tovert Larsje me nog een kleine verrassing voor, op zijn saxofoon. Het Berenlied uit het Junglebook. (Voor hem ben ik nu eenmaal ‘papoe baloe’).

Zo’n dolle berendans, het helpt bij het bedwingen van plaatsvervangende plankenkoorts voor de theatervrienden en het kalmeren van de zenuwen. Tegenover al datgene wat een schrijvend mens zichzelf oplegt door te dansen, niet met de wolven, maar met de pen. Op de slappe koord tussen wit en zwart. Hoog boven al het grijs.

Het helpt een mens bij het beschrijven van de gruwel en het verhaal van jongetjes die worden dood geschoten door grote mensen die kibbelen om het laatste woord dat er pas komen kan na het eerste: de herinnering.

Nooit jouw naam en voornaam vergeten. En die van alle andere stadsgenoten. Vermalen in de mallemolen van Het Grote Gelijk en de extreme ontsporingen ervan.

Adieu Eric Zonneman. Je schriftjes zijn geschreven en ze zijn terecht. Zelf duik ik alweer in een heel ander verhaal.

De groeten van jouw stadje.
Hoor je de bellen heel in de verte?
Het laatste woord is verzoening.

(Briefgeheimen. Aan Eric Zonneman.
)

11 juni 2014

BRIEFGEHEIMEN

RITUELEN VAN SCHOONHEID



Schenk ons één polsslag, bellenman. En we weten wat ons te doen staat. Al van bij je trage tred door de Grute Kirke op zaterdag breng je ons weer met zijn allen bijeen. Hier werd de duivel ooit van ons weg gejaagd. Hier hebben we, veel later, onze verwekkers begeleid op hun laatste reis. Tijdgenoten nog van de belle époque. Al lang vermaald in de koude vernieling van dit Oude Avondland waarin de duivel het met zijn kalf halen zou van Hermes op zijn paard.

Je belt ons los van de waan van alledag. Je voert ons ver van het gedoe. Al dat dwepen. Al dat welles. Al dat nietes. Je hemelse klanken werden ons ingebeld met het eerste Fiertellied. Ze kleurden onze wonderjaren. Ze vergezelden onze mooiste lente. Ze kruidden onze eerste kus.

Schenk ons één polsslag met je bellen, bellenman. En er is verder geen tijd meer voor bucolische dagdromen in de schaduw van de ouwe eik. Met je metafoor van vergankelijkheid drijf je ons voort door de eeuwige hoogdag van ons kortstondig bestaan. Wij zijn als het water van de mensenstroom, jij bent de stroom.

Jij met je schamele klanken, je dwingt ons tot deemoed met wat ons rest aan samenhorigheid. Je bent onze meerwaarde als al de rest ons weer eens uiteen drijft. We stappen achter je aan. Zo lang het kan. Meer moet dat voor ons niet zijn. Wat baten glorie en geld als je dit missen moet, ik vraag het aan. Geef ons één polsslag met je bellen en we komen er al aan.



Wat telt, is de Ommegang zelf. Gisteren is weg. Morgen is onzeker. Alleen het ritme van je bellen houdt ons overeind. Zalig, of bijna, laten we ons meedrijven op je beltechniek. Sneller nu. Want je ligt achter op het schema der eeuwige rituelen van schoonheid. Dan onregelmatig. Want je bent één van de bellende beginners. Helemaal zoals het hoort tenslotte. Want je bent een senior bellenman, de ervaring zelf.

Er wordt gevloekt: in de gracht fluoot een Moleculetrui met eronder een koersfiets. Niemand van ons die ernaar omziet hij moet het heilige schrijn maar niet voorbij willen snokken, de dopingtoerist.

Op naar de volgende kapel, met de pateen vol fluo-moleculen waarvan we de ingredïenten niet weten willen. Ook dit jaar zullen de mysteriën van leven en dood onopgelost blijven. Het ultieme wonder van het leven laat zich zomaar niet kennen. Tenzij in schoonheid en waarheid die je alleen met het hart ziet. Voor een dag zijn we kaloten noch zeloten geuzen noch goddelozen. Voor een dag willen we samen geloven in goedheid die groter is dan al onze tekorten.



Je bent onze eeuwige bellenman. Je bent alle bellenmannen bijeen dood of levend. Je bent alle dragers van het schrijn. Je bent alle Ronsenaars erachter en errond. Je bent alle Ronsenaars van hier, van elders en van ooit. Je bent onze vreugde en ons verdriet. Je bent ons geheugen en ons verlangen. Je bent onze laatste zekerheid: Hoe schuune da Roonse tooch kan zoan.

(Aan alle bellenmannen en dragers van voorheen, van vandaag en van morgen).