18 mei 2018

ETRANGE DE VIE



‘Ta coupe de cheveux on dirait Poil de Carotte’ me lance Nono d'un regard fait pour m'achever. La Peugeot 203, grise comme le ciel qui s'échappe au-dessus de moi par le minuscule rectangle du toit ouvrant, s’enfonce à la Jacky Ickx dans les ruelles de La Trinité. Le regard des autres. Jules Renard, tu ne connais pas je parie? Non. J’en suis toujours à Marie Chapdelaine avec ses interminables veillées dans les chaumières Canadiennes. Et Le Grand Meaulnes qui me casse les coucougnettes. Je vous parle d’un temps que Coeur de Pirate ne peut pas connaître. Nono m’observe. Visiblement très satisfait de l'effet que sa trouvaille provoque. Mon désarroi, ma déconfiture ont tout pour lui plaire. Le malheur d’un con fait toujours plaisir à voir.

Je pique un girophare à l’arrière de la Peugeot. Il s’en tape éperdument, Nono. Il me considère comme ce rabat-joie venu du plat pays qui ne sera jamais le sien. Tout juste la terre conquise par les sans-culottes à se farcir le temps des vacances de Pâques. Un peu comme les chocolats de l'entracte. A lui les Parisiennes juteuses en Solex. Genre Janique Aimée.

Il me laisse les béguinages d’un ciel Flamand si bas qu’un autre écorché vif que moi s’y est presque pendu, avant d'aller grater la guitare au Lapin Agile. Toutes ces choses de la vie, je viens les découvrir ici par tout ce que Nono voudra bien m’en dévoiler. Lui qui connaît si bien les divas du Golfe Drouot. La vie qui commence à la Madeleine, s'envole vers Aigues Mortes ou Deauville chababadabada et se tue finalement dans les vagues du temps perdu de trop de tout. Lui Nono, qui sait tout sur le zizi, même celui du pape.

‘Poil de Carotte, moi?’ C’est ma tante Nini avec son tendre sourire éternel, qui m’a rasé la boule à zéro. Question de déclarer une fois pour toutes la querre totale aux puces qui hantent nos collèges et patronages. Nono est alors mon heros personnel. Il sait tout ce que moi, le moins que rien entre les petits riens réunis du Padre Pio, j’ignore encore.

‘Comment ils ont fait pour nous faire nos vieux, tu le sais ça au moins?' La bête à deux dos? Tu les vois faire ça?'

Queue basse je capte tout en vrac. La chaude pisse des artistes de Pigalle. La folie de Guy de Maupassant. Bel Ami à quatre pattes. Flaubert et son complice Théophile Gaultier chez les sirènes d'Alexandrie. Tropiques du Cancre, mon Nono. Je l’écoute des heures durant. Docile comme un chien perdu sans papa. Vu que mon géniteur a eu l’envie pressante de me concevoir (déjà le mot con en germe) très date limite. Juste avant de disparaître comme un voleur de destin (le mien) dans la nuit étoilée. Selon les dires des bonnes Soeurs de la Miséricorde 'pour y préparer d’avance ma place tout près de lui au paradis de mes fantômes'. Quant à Nono: la vie lui fait visiblement le plein de cadeaux. Blazer bleu nuit. Noeud papillon avec ou sans Bécaud. Pantalon au pli parfait. Le tout à mettre Yves Saint-Laurent sur le cul, façon d’écrire. Le vent est au rire. Le vent est au blé. Six décennies plus près des étoiles je m’interroge. Nono je l’ai perdu de vue depuis belle lurette. En scribrouillant les dernières tranches de cette étrange de vie je pense à lui. A tout ce beau petit monde enseveli.

J’en vois qui
revendiquent et
qui protestent.

moi je ne demande rien
ni à la lune
ni aux diseuses
de bonne fortune.

je ne fais qu’un seul geste
le peu temps qui me reste

j’écris de jour
j'écris de nuit

tout en écoutant
du dehors l'incessant
tapage de l'éphémère
de la futilité
des rires, des cris
et des bruits.


Je me trempe la plume à l’encre
de l’imagination d’une autre vie.
dans laquelle tout le monde
il est beau et
tout le monde il est gentil.

‘ETRANGE DE VIE'.
Extrait de ma 'French Collection'.

26 april 2018

VRIJBLIJVEND

WELKE LADING
ONDER WELKE VLAG?

VAN NATIONALISME
VERBONDENHEID
VERBEELDING &
ONWRIKBARE HOOP




Doorgeschoten tolerantie. Sociale onverschilligheid. Teloorgang van burgerlijk fatsoen. Verruwing van de samenleving op straat, in het verkeer, in sportclubs, op speelpleinen, op de schoolkoer, erosie van de normen, minachting voor elke vorm van gezag. Alle morele zwakten van onze huidige samenleving zouden dus hun wortels hebben in de late sixties. Dit alles zou toen zijn opgeofferd aan ongebreidelde vrijheidsdrang.

'Ik kan mij niet anders herinneren dan dat 1968, het jaar dat de verbeelding de macht probeerde te grijpen en de jaren die erop volgden in een kwaad daglicht worden gesteld', schrijft Femke Halsema in haar essay voor De Maand van de Filosofie. De verbeelding die toen van onder de kasseien kwam open bloeien, kan volgens haar echter beter worden gedefinieerd door Richard Rorty:

'Vooruitgang wordt afgemeten aan de mate waarin we onszelf verbeteren. Het antwoord op de vraag wanneer we ons als gemeenschap en als leden ervan verbeteren, is als we onszelf en elkaar - en vooral de meest kwetsbaren onder ons – beter weten te vrijwaren van vernedering'.

Femke Halsema: 'Progressiviteit is een diffuus, verwarrend begrip dat vaak meer zegt over degene die het gebruikt dan over de maatschappelijke en politieke stroming die het poogt samen te vatten. Ik definieer progressief niet enkel als verandering- of hervormingsgezind. In dit geval is het een lege, richtingloze term die zowel het neoliberalisme van Reagan als de sociale hervormingsbeweging van Bernie Sanders kan omvatten. Progressiviteit is noch een politiek doel, noch een partijpolitieke slogan. Het is een geestesgesteldheid, een onophoudelijk en hoopvol streven naar een rechtvaardiger, eerlijker en open samenleving, in het besef dat deze zich nooit volledig zal verwezenlijken.

Progressieve politici die zich buiten de discussie over de nationale identiteit plaatsen of deze als conservatief en eng-nationalistisch terzijde schuiven, doen zichzelf tekort. Zij zijn de dragers van een traditie die aandacht, verdediging en waardering verdient.

Door de weerzin tegen nationalisme kan de collectieve herinnering verarmen en kunnen er belangrijke delen uit verdwijnen of er alleen als karikatuur in voortleven. Rorty merkt niet voor niks op dat een betekenisvolle discussie over de toekomst van de samenleving alleen kan plaatsvinden als er een zeker nationaal bewustzijn is'.

For Sale: Alaska

In 1983 publiceert de Amerikaanse antropoloog en politicoloog Benedict Anderson ‘Imagined Communities. Reflections on the Origin an Spread of Nationalism’. Een nationale identiteit is volgens Anderson een sociaal bouwwerk, een ‘verbeelde gemeenschap’ die mensen op de schaal van een natie in staat stelt zich met elkaar verbonden te voelen. Dwars door grote klasse verschillen en sociale tegenstellingen heen kan daardoor een diepe en gelijkwaardige kameraadschap ontstaan. Een natie is in de definitie van Anderson vooral een begrensde en soevereine politieke gemeenschap die in de loop der jaren van vorm kan veranderen, waardoor er nieuwe naties kunnen ontstaan en oude kunnen verloren gaan.

In 1994 beschrijft Anderson hoe de Amerikanen Alaska in 1867 kochten van de Russische tsaar, hoe het sindsdien onvervreemdbaar deel is van de Verenigde Staten. Omgekeerd heeft de dekolonisatie (van bv ‘Belgisch-Kongo’) geleid tot bijstelling van de nationale identiteit: zowel in de voormalige koloniën als bij de kolonisator.

Vanzelfsprekend erkent Anderson het gevaar van nationalisme. Maar dat komt volgens hem door de verwarring tussen nationaliteit en etniciteit.

De oude Europese naties zijn nooit zo gesloten geweest als tegenwoordig. Nu pas doet zich het verschijnsel voor dat men bijvoorbeeld denkt dat ‘Britsheid’ iets te maken heeft met het bloed in plaats van met de cultuur. Dat is voor Halsema geen nationalisme maar domweg racisme. Het is het geforceerd laten samenvallen van de nationale identiteit met een etnische identiteit.

Voor Femke Halsema ligt het belang van het werk van Anderson in twee centrale elementen van zijn redenering. Nationale identiteit is een product van de verbeelding. Niet in de zin dat ze ingebeeld is of onecht, maar dat zij geconstrueerd wordt in gezamenlijk bewaarde, herinneringen, verhalen die telkens opnieuw worden verteld waar grote culturele betekenis aan wordt toegedicht en in nieuwe ‘tradities’ (bijvoorbeeld Sinterklaas vanaf de negentiende eeuw).

Ten tweede is nationalisme, anders dan meestal wordt verondersteld, niet per se een conservatief of reactionair verschijnsel. Anderson vindt dit een kostbare vergissing: 'In ons tijdperk is het gebruikelijk voor progressieve kosmopolitische intellectuelen om het nationalisme te associëren met een bijna pathologisch karakter, wortels in angst en haat jegens de Ander, en een verbondenheid met racisme. Het is nuttig onszelf eraan te herinneren dat naties ook tot liefde en zelfopoffering inspireren. De culturele producten van nationalisme – poëzie, proza, muziek en beeldende kunst – laten deze liefde heel duidelijk in duizend verschillende vormen en stijlen zien'.

(Wat is er mis met La Flandre Profonde en Belgetude als dwars doorheen de schone schijn en de burgerlijke beschetenheid de universele thema's van groeipijnen, verlangen, verlatenheid, verbondenheid, vrijheid, liefde, vriendschap, verraad, verzet, noodzaak en toeval belicht worden. Ik vraag het hier aan, als Vlaams - Belgisch auteur in de marge van mijn eigen snel weg tikkende tijd-svc).

Nationalisme is voor Femke Halsema - beter heet het patriottisme of vaderlandsliefde - wel degelijk verenigbaar met progressieve waarden als openheid, tolerantie of kosmopolitisme. Het vermogen om de vreemdeling welkom te heten, kan juist een belangrijk deel van de nationale identiteit zijn. Of zoals verzetsstrijder, dichter en medeoprichter van Vrij Nederland H.M. van Randwijk het schrijft in zijn Manifest uit 1947 (tegen de politionele acties in Indonesië):

‘Mijn volk wortelt niet in de duistere driften van bloed en bodem, maar in een erkenning van normatieve zedelijke beginselen. Die wil ik toegepast zien en daarom wijs ik een koloniale oorlog af.’

The powers that be



In zijn column voor De Standaard heeft Paul Goossens (In ‘De dictatuur van het nieuwe normaal’) zo zijn bedenkingen bij die opgefokte hedendaagse ‘identiteitsclash’.

Paul Goossens: 'Je kunt er moeilijk omheen dat de ‘cultuuroorlog’ die het rechtse populisme al meer dan twintig jaar oppookt de wind in de zeilen heeft. Het is erin geslaagd om alles wat met identiteit te maken heeft tot staatszaak op te kloppen en er de publieke opinie voor te mobiliseren. En het valt op, omdat het debat steeds meer een symbolenstrijd wordt die steeds minder ruimte laat voor rationele argumenten, dat verruwt de discussie.'

Essentieel hierbij is voor de legendarische studentenleider de thematische shift: weg van de sociaal-economische tegenstellingen, prioriteit voor de identitaire confrontatie.

'Omdat ze geobsedeerd is door de mythe van het ene volk en de homogene natie wordt sociaal-economische ongelijkheid onder het tapijt geveegd en de culturele ongelijkheid volop in de verf gezet en systematisch bestreden. Vandaar de allergie voor het afwijkend gedachtegoed, zeker als het van minderheden komt.'

En, in zijn essay over 1968 Het jaar dat niet wil sterven' (een warme aanrader): 'Na nine eleven kreeg het Westen er een nieuwe vijand en een nieuwe oorlog bij: de war on terror tegen de politieke islam. Veel conservatieven zagen het nog ruimer: Een oorlog tegen de islam tout court. Omdat de islam nu de westerse vijand nummer één werd, was de conservatieve kerk aan een ideologische update toe.

Twee eeuwen lang was ze een uiterst koele minnaar van de verlichting, met de moslim in de buurt werd een koerscorrectie onvermijdelijk. De verlichting werd tot een aanvalswapen tegen de islam omgebouwd. Niet de hele verlichting natuurlijk, wel een verlichting op maat van de bange, witte conservatief. Een verlichting kortom, met minimale aandacht voor het watermerk bij uitstek van de verlichting, gelijkheid. Door de sixties als schietschijf te behouden, konden enkele fundamenten van de verlichting worden getroffen. Gelijkheid natuurlijk, maar evengoed dat andere watermerk van ’68, de anti-autoritaire reflex, die altijd de proloog van het kritisch denken en van de emancipatie is. Elk ongebonden denken en emancipatorisch proces begint tenslotte met een afwijzing van de praatjes en weetjes, de normen en privileges van the powers that be.’

Impressies & Percepties

‘Macht en Verbeelding’. Femke Halsema.
‘1968. Het jaar dat niet wil sterven’. Paul Goossens. Epo.
‘Nationalisme’. Joep Leerssen. Amsterdam University Press. Elementaire Deeltjes.


Illustraties: Cover van mijn romanbundel bij Manteau 'Belgetude' .
'Eenzelvigheids'kaart van mijn grootvader Rémy, een eeuw geleden afgeleverd in Ronse (via Kwaremont afkomstig van Wortegem, eigenlijk van Kanegem enz).

26 februari 2018

SELECTIEF GEHEUGEN

HUGO CLAUS
IN DE VERGETELHEID?

SUITE FLAMANDE...



Naar aanleiding van de Claus-expo's in Brussel en Antwerpen wordt in de krantenbijlagen gesuggereerd dat Hugo Claus nog geen tien jaar na zijn dood (op 19 maart 2008) al een onbekende is op school, werk van hem schaars op de rekken. Marc Didden, curator van de Claus-expo ‘Con Amore’ in Bozar werd zelf door Claus op ons netvlies vereeuwigd als Gigi op de motor, schitterend in ‘Het Sacrament’, de filmbewerking van ‘Omtrent Deedee’. Didden, zelf maker van het incontournable ‘Brussels by night’ gaf Thomas, de oudste zoon van Claus nog les als docent in Sint-Lucas Brussel. Didden heeft zijn ex-leerling nu gevraagd of hij nog iets van zijn vader had dat hij kon bijdragen? Neen dus. Thomas is de zoon van Claus met Elly Overzier uit de periode toen de schrijver met de Nederlandse actrice in Nukerke woonde. Het koppel woonde hier in een vierkantshoeve onderaan Tenhole, een tijdlang bewoond door Paul Béatse (de auteur van de lokale familiesaga ‘De Bé’s) en nog niet zo lang doorverkocht als 'de woning van Hugo Claus' vermelding in De Standaard incluis.

Thomas zelf woont tegenwoordig hier in Ronse. Een beminnelijk en bescheiden mens die nooit en nergens zelf uitpakt met zijn beroemde pa en oude meubelen opknapt aan ‘De Rode Mutse’. Het sleutelverhaal dat hij na diens dood zelf over zijn vader schreef werd door de zelfverklaarde valse pausjes van de literaire kritiek zoniet doodgezwegen dan wel compleet gekraakt en vermaald als zaagsel in de harde vernieling. De rechtmatige onderliggende postume kreet van Thomas om vaderliefde werd daarbij toen straal genegeerd.

Nu na, tien jaar later, krijgt Thomas eindelijk het begrip dat hem toen flagrant ontzegd werd door de literaire mandarijnen van dienst. En dat begrip komt niet van om het even wie. Hilde Van Mieghem, curator van de Antwerpse Claus-expo ‘Achter vele Maskers’ in De Morgen dit weekend : ‘De relatie tussen Hugo en zijn zonen was heel getroebleerd. Ik denk dat Thomas erg geleden heeft onder het gemis van zijn vader. Hugo was geen vader, hij schrijft dat ook in een van zijn dagboeken. Die vrouwen (Elly Overzier, mama van Thomas en Sylvia Kristel, mama van Arthur- svc.) wilden een kind, en hij heeft hun dat gegeven, maar van in het begin maakt hij duidelijk dat zijn werk voor alles zou gaan. Zoals dat bij zoveel kunstenaars het geval is.’ Voila c’est écrit et c’est dit. Een vader missen, dàt ken ik als levenslange vaderloze. Daar bekom je nooit van.

Naar aanleiding van zijn dichterlijke tour Suite Flamande streek Hugo Claus met zijn hele gezelschap ooit neer in het huis van ere-burgemeester van Ronse Orphale Crucke aan de Ommeganck. Het gezelschap: Veerle Dewit, Guido Lauwaert organisator en heerlijk woelwater, dichter Remco Campert, kunstenaar en schrijver Pjeroo Roobjee (de papa van Merel De Vilder beiden woonachtig alhier), Simon Korteweg de toenmalige uitgever van De Morgen. Hugo Claus was toen de alom gevierde Prins der Letteren. Pjeroo kreeg as usual eenieder aan de slappe lach met één van zijn onvergetelijke geïmproviseerde hilarante eindeloos uitwaaierende tafelspeeches. Onder tafel dus. Al kan het bij Campert ook van die ene borrel teveel geweest zijn, tegen het ochtendgloren.

Maar zie alles gaat dus voorbij. Wat blijft er over na het 'Feest zonder einde'? In de ‘Kunst van het ouder worden’ schrijft de Amerikaanse Sandra Lee Bartky over het vergaan van netwerken.

‘Gaandeweg gaan de oorspronkelijke leden van ons netwerk dood of met pensioen. Dan verdwijnt ons circuit of netwerk, of richt het zich op andere onderwerpen. Er sluiten zich jonge mensen bij aan die de organisatie een richting uit willen sturen waar wij het misschien niet mee eens zijn’. De oude strijdbaarheid lijkt te verdwijnen, ook als de problemen die ons strijdbaar maakten nog niet zijn opgelost'.

Zeer herkenbaar voor wie de ravages van dat selectief geheugenverlies in eigen kring en alom capteert. VRT-legende Karel Hemmerechts (de hoogst erudiete papa van Kristien) vertelde me in een interview daaromtrent ooit hoezeer hij onder de indruk was van de filosoof Romano Guardini (auteur van ‘Tijdperken des levens’).

Romano Guardini: ‘Uit dat gevoel van vergankelijkheid, komt ook iets voort dat op zichzelf positief is, namelijk de steeds duidelijker bewustwording van datgene wat niet vergaat, wat eeuwig is. In die mate waarin een mens innerlijke overwinningen behaalt, wordt hij transparant voor de zin der dingen. Niet doordat hij actief wordt, maar door wat hij uitstraalt’.

Geldt compleet voor Claus tien jaar later. Hugo Claus mag dan nog - vijf jaar voor zijn zelf gekozen ‘uitstap’ - in volle glorie getackeld zijn door de eindigheid van het volle leven als hij tijdens de tournee van Saint-Amour in Leuven zijn eigen gedichten niet meer voorgelezen krijgt en van het podium stapt. Op dat moment is zijn oeuvre al geschreven : onomkeerbaar grandioos en groots.

Zo oneindig veel meer
dan dat ene gedichtje
gefluisterd
op het kussen
in het oor van
je geliefde.


Dat leraren er ook maar aan denken hem uit het collectief geheugen te verbannen zegt meer over Het Verdriet van Vlaanderen en de ondraaglijke lichtheid van diegenen die hem zeggen te willen verbannen dan over de banneling zelf .

Leve Hugo Claus in onze diepste Verwondering.

‘Selectief Geheugen’. Digitaal dagboek.
Illustratie: met Claus en Spectator-collega Carlos Alleene op de set van ‘Vrijdag’ in Brussel.
Foto: Johan Vancaeneghem.

19 januari 2018

BRIEFGEHEIMEN

Zonde van Angèle.



Alle kommer komt doordat een mens niet zomaar eindeloos binnenkamers kan zitten niksen. Ten eerste omdat verveling hem dan uit de leeshoek jaagt. Ten tweede omdat hij dan rare gedachten krijgt omtrent thanatos en als de lente komt omtrent eros. Blaise Pascal constateerde het. Ignaas Devisch schrijft er zeer lezenswaardige boeken over. Ik denk eraan nu uw tachtigjarige uitgeverij bij wijze van postuum cadeau wordt opgezadeld met uw voornaam als imprint. Angèle.

‘Tja’ schrijft Peter Jacobs in de Standaard der Letteren, ‘er moest inderdaad iets gebeuren met het merk Manteau dat fataal ‘veraspt’ lijkt. Maar dat het fonds een allegaartje is geworden en niet meer de literaire glans van toen heeft, los je toch niet op met een naam? Moet Manteau daarvoor plaats ruimen, de uitgeverij die mee het gezicht van de naoorlogse Nederlandse literatuur bepaalde? Het klinkt een beetje alsof Gallimard het stof van zijn imago zou blazen door te beginnen met een uitgeverij die Gaston heet'.

Juist Jacobs Peter.
Edition Gaston.
Let wel: van Gallimard
niet van Lagaffe
(aka Guust Flater).

Zelf heb ik u ontmoet op een prachtig geslaagd zomers feest in uw bucolische Pajottenlandse hovingen. Uitgeverij A. Manteau - u schreef die voornaam nooit voluit om heel consequent gendergelijkheid af te dwingen in de machistische uitgeverswereld van toen - mocht dan al door Jeroen Brouwers totaal onbewoonbaar verklaard zijn, zelf werd ik er door de ingoede Ward Ruyslinck, door de gezellige fietsfanaat Jos Vandeloo en de perfectionistische germanist Jef Geeraerts als beginner heel hoffelijk en altijd fair opgevangen. Om nog te zwijgen van de oeverloos geduldige begeleiding die me er wachtte door Myriam Libert, juweel van jade in uw statige uitgeverstempel aan de Antwerpse Beeldhouwerstraat.

Wat er toen toe deed, dat was La petite musique. Dat je er als auteur volkomen vrij van boekhouders en businessplannen schrijven mocht over verdwenen werelden. Over de schone schijn van gisteren en vandaag. Over alle tinten wit zwart en grijs in tijden van oorlog. Over de stormen in je eeuwige puberhart. Altijd ging het om de tekst en alleen om de tekst. Auteurscontracten en verkoopcijfers werden er getekend met een hartelijke handdruk op vertrouwen.

Wel werd er wekenlang gekibbeld over bijvoorbeeld die ene vraag of ik ‘Madame Valentine’ al dan niet een raam rond mijn verhaal meegeven zou. Liever dan dat ik mijn personages zoals in het ingeleverde typoscript rechtstreeks vanuit hun monologues intérieurs tot leven zou brengen. Ik zie me daar nog lopen in het Kluisbos met die ene vraag in de kop. De goede Lionel Deflo kreeg tenslotte zijn zin en zijn raampje rond Madame Valentine. En ik kreeg een fijne recensie van Jooris Vanhulle in De Standaard. Op één bezwaar na weliswaar. Hij vond die raamvertelling overbodig. Publiceren in uw roemrijk uitgevershuis was voor mij behalve een jongensdroom pure quality time. Met dank aan al de mensen daar wie het om de trage opbouw van mijn geschreven wereld te doen was. Roman na roman. De hele Belgétude. Verhaal na verhaal.

Maar zie, op dat tuinfeestje zag ik toen ook de eerste glimmende Jaguars komen voor schuiven uit de wereld van de ‘Sterke Merken’ . Het huis werd een stripfabriek en een kookwinkel. Kort daarop werd ik door de Nederlandse opvolger van Lionel Deflo gevraagd om in Brugge het thrillerdebuut voor te stellen van Aspe. Sterk merk. ‘Stef, ik ga die Jef Geeraerts met zijn Vyncke & Verstuyft vol luste van de markt schrijven’, zei me sterk merk Pierre Aspeslagh op de volgende boekenbeurs waar ik naast hem achter mijn bescheiden stapeltje stond te staan. Met veel tederheid, geen sterk merk maar wel oprecht.

Ik geef het hier allemaal cru en sans rancune. Recht vanuit mijn lang vergane romans. De rechten ervan heb ik inmiddels allemaal wel weer in eigen huis gehaald. Veilig weg van bij de ‘boekhouders’ die je boeken drukken in print on demand op imprints. Nini, Valentine & les autres ik koester ze hier nu net als de dierbaren om me heen groot en klein.

Het ga u goed, mevrouw Manteau, in één van uw zeven hemels boven de mijne. Zonde van Angèle, uw aldus te grabbel gegooide verzwegen voornaam. Als een stuk zeep in de zee van Sterke Merken. Kiekeboe. Suske & Wiske. Jeroen Meus.

Ook op dat punt ziet Peter Jacobs dat bijzonder scherp: ‘Het is vast goedbedoeld. Sympathiek. Maar of ze gelukkig geweest zou zijn met zo’n familiaire merknaam durf ik te betwijfelen.’


Aan wijlen mevrouw A. Manteau.
Uitgeefster. Noblesse de Plume.

17 januari 2018

VADERLANDSE PLICHTEN



De Blote Pompier is ons dodenmonument dus geen naakte brandweerman de reputatie van onze gemeenschap blijft zonder kleerscheuren overeind. Ons buitengewoon bekwaam brandweerkorps staat bekend tot ver buiten de grenzen van dit tranendal. Nog nooit is het gebeurd dat het er niet in slaagde een of ander lopend vuur te doven. De blaaskapel wordt gretig gevraagd tot in de grootsteden Kluisbergen en Maarkedal. De Blote Pompier is onze local hero zegt mijn grootvader. Ook bij onverwachte zwangerschappen wordt naar hem verwezen. Is ze alweer in positie? Het zal van de Blote Pompier zijn. Als rust brengend monument bevestigt hij hoe monumentaal vredelievend en gastvrij onze stad is zonder aparte loketten of niks bijvoorbeeld voor mensen met schoenmaat 40-45. In de armen klemt de Blote een vlag alsof die op elk moment kan wegvliegen naar Noord-Korea. Het is vandaag volkomen windstil zelfs de vlinders ondervinden geen hinder van turbulenties. Zo bloedheet is het dat ik kriebels krijg in het gebied waarvan mijn grootvader zegt dat zijn galstenen er dringend dienen te worden weg gesneden. Binnenkort gaat uw eigen vlees wakker worden zegt mijn grootvader. Ik heb liever dat het nog wat blijft slapen ik voel me te leeg om iets anders te doen dan hier vanop mijn bank naar de Blote Pompier te kijken. Als ik de ogen halfdicht knijp lijkt de Blote op een kloeke kaatser van Pelote Pinguins. Hij trekt een fruute alsof zijn lief er vandoor is met een wever op zeven getouwen. Goede redenen die verklaren waarom de Blote geen kleren draagt. Ten eerste hebben goden ook geen kleren aan vanwege de zwoele temperaturen aan de Exegetische Zee. Wat niet wil zeggen dat het daar nooit eens regent ge moet niet alles geloven wat De Vlaamse Toeristenbond ons wil wijsmaken zegt mijn grootvader. Ten tweede werkt een echte kunstenaar graag op blote modellen om de anatomie van Vesalius te kunnen blootvieren met het puntje van zijn beitel.

Op het monument staan alle namen van de helden die zijn gaan liggen doodgaan om er hun vaderlandse plichten mee te vervullen. Hun alfabetische volgorde houdt geen rekening met de ernst van hun sneuveling. Van Kerrebroek Ferdinand kan bijvoorbeeld perfect gesneuveld zijn vanwege een dikke kanonbal op zijn wachtpost. Toch komt hij op de kolom achter de pompier zijn blote achterkant diep onder Delbar Désiré die mogelijks maar een heel onnozel kogeltje in één van zijn vitale orkanen heeft ontvangen.

De schamelheid van de Blote staat symbool voor de opoffering van onze Onbekende Soldaten aan het front. Volgens mijn grootvader zit daar de totale onthechting in voor het Hoger Doel zelfs al hebt ge nog van alles te doen een werkmanshuisje kopen en uw eigen opwerken tot conterbaas. Maar als ge naar het front moet is het enige wat u nog recht houdt als ze niet schieten van aan de overkant een kruiske van uw moeder met haar god zegene en beware u doorheen de suizingen in uw oren en een foto van uw lief achter uw geschouderd geweer aan het schietkraam van de zomerkermis.

Elk jaar worden er bloemen neergelegd aan de blote voeten van de Pompier. Lang blijven ze niet vers. Dan volgt het volkslied van ons nationaal vaderland zoals voor een match van de Duivels tegen Duitsland. Jonge mensen moeten altijd goed onthouden dat hun voorvaderen gesneuveld zijn voor dit monument zegt mijn grootvader. Ik had die Van Kerrebroek wel eens willen vragen hoe het voelt om hier als held helemaal aan de onderkant van het alfabet te hangen.

‘Vaderlandse Plichten’ verscheen als novelle in Het Laatste Nieuws. Dit is een herwerkte ingekorte versie. (Illustratie Michel Provost).

11 december 2017

GEBRUIKSAANWIJZING VOOR RONSE



Dartel dansen de vlokjes aan mijn schrijfstek onder de balken voorbij. Broos als hapjes Hubertusbrood. Volatiel als één Warmste Weekje. Net voor De Nacht van de Lange Laguiole’s wordt ingezet op Het Geslacht Kalkoen. Barmhartigheid voor de goedgelovigen. Mededogen op de meditatiemat. Solidariteit vuir noog ne kalant of twie. Alles aan braderieprijzen. In afwachting van de stormloop op de solden.

Stijlvol siert de stad zichzelf in het Winterlicht. Onze beste stadsfotograaf capteert de magie van dit dal, gevat in tijdloze schoonheid. Hier houden we ons we jaar na jaar wat langer jong. Hier doen we stoer, tonen we ons sterk al zijn we nog zo zwak.

Hier worden we boos en gaan we uit de bol, al dan niet voor de lol. Hier waren we ooit klein groeiden we groot en gaan we vroeg of laat dood. Elk met ons hoogst subtiel of futiel plan en onze netwerkjes. Met zijn allen of bijna willen we ons al te lang ondergeschoven stadje redden.

Het mirakel van Ronse heet fierheid. Mooie herinneringen, hoge verwachtingen. Diepe ontgoochelingen, onwrikbare hoop. Troost en trots. Volharding en verbondenheid. Dolle avonden vol vreugde uit vijfduizend kelen, dan weer stille schrijfnachten alleen.

Op ons bakkes, recht krabbelen en weer voort. Ons grandioos vergissen. Het grote gelijk aan onze kant maar het niet krijgen. Het grote ongelijk vergeten. De ene stap overmoedig te ver. De andere stap deemoedig terug. Een stap opzij. Een stap vooruit.

Ronse is nooit saai, telkens weer zo anders. Ge zaut vaan Ronse oos ge gisteren fabrieksschoorstenen hebt weten ontploffen en vandaag Oude Vrijheden ziet herrijzen. Wat elders bestuursmatig vanzelfsprekend geldt voor elke Belg, torst hier nog altijd dat lastig Brussels slakkenhuis.

Gelieve om dit alles eerst zorgvuldig de gebruiksaanwijzing van Ronse te willen lezen. Ronsenaars laten zich niet kisten als een lading afgedankte schietspoelen in de grote schaalvergroting aan 500 euro per afgekochte burger.

Een halve eeuw nu al heeft de kerstman de 1000 lichtjes van Ronse aan zijn laarzen gelapt. De sterrenlucht boven Wittentak gemeden als een no fly zone. Voor ons Ronsenaars daarom liever geen leeg kerstpakje meer met wurgend strikje om. Geen kerstkitsch maar cash.


Ronse Winterlicht. Foto Fabrice Gevaert

20 november 2017

SELECTIEF GEHEUGEN

HET HUIS VAN WANTROUWEN.



Ik breng mezelf in zelf gewenste onveiligheid in haar naaikamer. Het avontuur dat ik er zoek, wordt me keer op keer gegarandeerd geschonken door Robbedoes. Van op mijn kantelend fluwelen voetstoeltje evalueer ik nu en dan de moeizame beklimmingen van haar zwaar gehavende kuiten op de zware trapper onder de gietijzeren Singer. Naaien heeft dan nog iets van vintage ambacht. Wordt warm aangeprezen op affiches van de afdeling Snit & Naad in de Technische School Sancta Maria. Wie als meisje goed leert naaien, geraakt gegarandeerd aan werk in de betere ateliers van de stad.

De VRT heet dan nog BRT. De baas is een directeur-generaal. BV's zijn Vette Vedetten. Ze heten Schipper, Sander of Het Manneke. De volkse concentraties die ze op zondag veroorzaken in stamcafés met televisie in 625 lijnen naast de pronostiekstanden van de Rizla Croix worden nog niet verzilverd in marktaandelen. Dit bij afwezigheid van concurrentie. Anderlecht is bezit van geuzenbrouwer Constant Vandenstock. De Ronde van Vlaanderen is van Het Nieuwsblad. De Omloop het Nieuwsblad is van Het Volk. Het Huis van Wantrouwen heet dan nog het huis van vertrouwen.

Het is zo
simpel allemaal,
simpel allemaal.

‘Tegen de kerst naai ik kaboutersloefkes’, lacht madame Groenendael Volgt een gekreun dat - zo te zien aan de duik van haar handen - van diep in de lenden komt.

Ze plukt een paar ingewikkelde patronen uit Modes & Travaux van onder de speldenkoppen tegen het bebloemd behang. In de lente zit het geplande droomhuwelijk van Sneeuwwitje, prinses des huizes, er aan te komen. Dus wachten haar de création van hopen belles robes op de grote patronenplank waaronder ik mijn jeeps en pantsers van Dinky Toys tussen de dragende paardjes genadeloos tegen elkaar laat kletteren: in de finale slag om de tunnel van Louise-Marie waar Adolf Hitler met zijn lief Eva Braun aan de dis gaat in zijn verdoken Wagon Lit.

Madame Groenendael mikt een zijdezachte smaragdgroene bolero over de geamputeerde armen van de etalagepop in de hoek van haar naaikamer, de pop heeft ook maar één zwarte draaipoot. De bij ons inwonende naaister bestudeert nu zogezegd in volle concentratie (de ogen halfdicht als Geronimo die ergens ver rookpluimen ziet) de wirwar van patronen op het doorkijkpapier. Tenslotte in een gi-gan-ti-sche geeuw neerzakkend in haar chaise longue dommelt ze weg naar een van haar nachtmerries waarin de Simba's Belgische paters en nonnen in de bain-marie gaar koken. Eindelijk heb ik het hele tafelblad vrij voor mijn globaal slagveld.

De kaboutersloefkes van madame Groenendael. Ik denk er aan terwijl ik Margot op de arm til om haar de elf-hon-derd kabouters tegen de wanden in Le Vieil Engreux te tonen. Zeven 7 -mijlslevens later.

'Selectief Geheugen'.
(Onder auteursrecht).

20 oktober 2017

SELECTIEF GEHEUGEN

DE LIEFDESBRIEF



Elke week zie ik uit naar haar Air Mail. Hemelsblauw met golvende streepjes zoals op spuitbussen van Vidal Sassoon. Wanneer ik nu kom overvliegen? Kunnen we onze summer of love voor altijd voortzetten.

‘Let me sleep on it’, schrijf ik haar terug, in golvend Engels met gelakt haar op. Nep Amerikaans dat Frankie me in stoomtempo bijbrengt, bovenop mijn schamel schoolrooster vol dode talen. Frankie ligt gelegerd aan de radar in Flobecq. Daar houdt hij de Russen tegen onder leiding van kolonel Camaro, Fats Domino in light versie.

Op een dag kiepert Frankie zijn machtig mooie GI-zak vol cornedbeef conserven op mijn bed op zoek naar een verse slof Camels. Tovert een landkaart uit zijn rechterbeen in kaki, prikt een enorme landkaart tegen de enige nog vrije wand van mijn jongenskamer (die met het wijwatervaatje van de Heilige Maagd van Wittentak), toont met zijn dolk waar volgens hem de enige echte place to be ligt: Montana. Niks geen zeemzoeterige zever uit San José California die een mens wil doen vergeten dat er in Montana echt wilde beren - geen tamme circusbeesten - op de loer in de bomen hangen.

‘Let me sleep on it, Frankie’ zeg ik. (Ik hoest me de pleuris aan mijn eerste en laatste Camel maar weigeren is geen optie). Frankie logeert al een paar maanden bij ons thuis op kamers in afwachting van de derde wereldoorlog. De eerste Mig-piloot op de radar in Dhoppe eindigt zijn verhaal gegarandeerd in de zavelgroeve aan het Brakelbos. Met dank aan Frankie.

Nu en dan krijg ik ook een brief uit Engeland. Van een oudere schoolkameraad. Zijn ouders hebben hem naar Cambridge gestuurd om er poepsjiek Engels te leren. Het eten is er verschrikkelijk, schrijft hij me. Hij verveelt zich stierlijk, wanneer steek ik over om samen the London years collection in my life te mikken? ‘Let me sleep on it’, schrijf ik.

Een andere schoolmakker verkast helemaal naar Antwerpen. Zijn vader is manager bij Koekjesbaron De Beukelaer. Om dichter bij de koekenbak te wonen, verhuist hij met heel zijn nest naar ginder. ‘De sinjoren zijn giel speciol’, lees ik. ‘ De nulmeridiaan loopt er dwars door de stand van het knekelhuis Manteau op de Boekenbeurs.’ Let me sleep on it, schrijf ik. Een jaar later verhuist hij naar Gent . ‘Zo speciaal zijn die sinjoren nu ook weer niet’, schrijft hij me in zijn laatste brief.

Zichtkaarten krijg ik van overal. Capri c’est fini, Amalfi: aussi. Torremolinos, Malaga. Barcelona. Ik kleur er elke vrije wand op mijn kamer mee. Het helpt me de wonderjaren door te komen. Dat en een miljoen keer mijn basketbal van bij Tigris Sport in de ring mikken op het pleintje onder de kastanjes aan de overkant.

Brieven. Zichtkaarten. Kerstkaarten. Wie schrijft ze nog? Ik. Een laatste liefdesbrief. Vanuit mijn ‘Selectief Geheugen’. Een liefdesbrief naar mijn ultieme beloofde land. Mijn afscheidsbrief ook na vijftig jaar schrijven.

‘Zeg dat niet’, lacht de goede schrijfbroer van altijd met wie ik in duo net een heel begeesterende schrijfervaring voor theater heb afgewerkt. Om dat te vieren, zitten we samen aan de dis met een vis langs de Champs Elysées van Vlaanderens groenste dal. ‘Zeg nooit dat het je laatste is . Je zal het schrijven toch nooit kunnen laten’.

Let me sleep on it, zeg ik.

'Selectief Geheugen'. (Onder auteursrecht).

27 juli 2015

BRIEFGEHEIMEN

DE BEVRIJDING VAN RONSE
VOLGENS THIERRY LA FRONDE




Dju, Tante Zulma had gelijk. Tussen twee wafels door die ze - alle gaatjes boordevol goeien boerenboter ze 'insisteerde' daarop - serveerde op woensdag in het zilverwarenzaakje van haar zuster tante Hélène onder de ouwe Sint-Martenskerk, beweerde ze steeds weer dat de 'Drouautsies' en dus ook jij, mijn grote jeugdheld Jean-Claude Drouot alias ‘Thierry La Fronde’ Ronsese roots hadden… ‘langst de kant van de Mahieutsies'.

Ik dacht dat tante Zulma uit haar pretoogjes kletste. En zie, als ongeneeslijke alleslezer (en helaas heavy bookspender) stoot ik vanmiddag bij één van mijn speurtochten in het Rijselse in de Furet du Nord toch wel op jouw memoires. Natuurlijk kan ik het daarbij niet laten om stante pede en ter plekke de beweringen van wijlen mijn lieve oud-tante Zulma na te trekken op hun betrouwbaarheid.

Wat blijkt? Dat Constant Mahieu, je peter en grootvader langs moeders kant, echt in Ronse woonde en er een textielfabriekje runde. 'Een liberaal, een boogschutter en een duivenmelker'. Zo beschrijf je hem. Een combinatie die ik voor je rekening laat: tegenwoordig melken liberalen geen duiven meer. Ze verbouwen dure wijnen in Toscane. Ze spellen Grieken de les en melken voor de rest alle niet-gefortuneerde Belgen. Bon soit.

Een duivenmelker dus. In die mate zelfs dat de duivendrek nog altijd in je neusgaten nastinkt. Dàt ken ik. Mijn eerste schriftjes schreef ik zelf - met snel stollende inkt - vol op de koude duiventil van mijn bompa op de Steenbrugge. Nu en dan kon ik helemaal herbeginnen vanwege verse binnenvallende duivenshit uit Cambrai.

Jij Thierry la Fronde, mijn jeugdheld, met roots in 9600! Mijn geluk kan niet op! Het heeft trouwens maar een decenniumpje gescheeld of we konden - tuupe tsjegoere!- kaatsballen kletsen tegen de muur van 'Taumasies' fabriek aan de Steenbrugge of all places. Want wat verderop vertel je hoe je de laatste twee oorlogsjaren doorbracht in…. de Zonnestraat haaks erop. Als kind kwam je trouwens altijd al naar Ronse met je mama zo lees ik.

‘Tous les quinze jours, nous allions à Renaix, dans sa famille. Ma maman ne manquait jamais de se rendre et de m’emmener sur la tombe de sa mère. Ce souvenir s’associe dans ma mémoire aux ‘Roses blanches’, chanson de Berthe Sylva qui passait alors sur les ondes…’

Onderstaande bekentenis laat ik je eigenlijk liever zelf doen.

‘…Je me rappelle encore, le rouge au front, le jour où j’ avais pris sans son autorisation une petite balle pelote de cuir blanc dans la boutique familiale, lors d’une visite à Renaix. A bord du train qui nous ramenait à Deux-Acren, j’ai sorti admiratif, la balle de ma poche. Maman était tellement fâchée de ce larcin qu’elle n’a pas hésité à m’en faire le reproche en public…et à me couvrir de honte devant les autres voyageurs. Je lui dois mon aspiration à l’honnêteté.’

Dat jij mijn jeugdidool, reddende ridder van prinsessen in nood opgesloten in Sadeske ivoren torens bedreigd door schurftigaards...dat jij, de eerlijkheid en oprechtheid zelve tegenover die vetzak van een baljuw en al zijn handlangers ... dus zelf hier in Ronse nog wel, eigenlijk ooit kaatsballenjatter bent geweest kijk zie jeugdheld van me: dat verhoogt voor mij nog de epiek van je heldhaftige doorgroei: van gappende schildknaap tot rechtvaardige Ridder van de Vierkanten Tafel.

Vijf en een half jong ben je, zo lees ik, als je in de Zonnestraat weggedoken onder het raam toekijkt op de bevrijding van Ronse.

‘Mon oncle et moi étions allongés sur le sol du magasin de mon grand-père lorsque nous avons vu passer les derniers véhicules allemands. Ils fuyaient la ville par la Zonnestraat – la rue du Soleil-, poursuivis par les résistants flamands'.

(Ik citeer hier maar hé- mais je n'en pense pas moins, Thierry) .

'Est ensuite arrivée l’armée écossaise commandée par Monty Clift, le libérateur de la Flandre' (sic).

'La journée fut marquée par deux incidents affreux: la mise à sac de l’imprimerie d’un homme qui avait collaboré avec l’occupant – je revois son atelier jonché de cases brisées et de caractères en plomb, don’t l’un finit dans ma poche d’enfant – et le massacre d’un civil coiffé par dérision, d’un kepi allemand. On sortit le malheureux, ensanglanté, de l’hôtel de ville pour l’emmener jusqu’au lieu de son probable supplice'.

De vernieling van drukkerij Goebeert en de bevrijding van Ronse door Monty Python pardon Clift, vu et vécu par Thierry La Fronde.

A Renaix ça est quand même kekchose.



Bon dat pikken (van kaatstballen, van loden letters van de gevallen drukker Goebeert en wat al niet) lijkt wel een terugkerend kleptomaan patroon bij jou …Maar oké Thierry (mag ik je Thierry noemen Jean-Claude?) wie ben ik om hierover - als je fan number one - moeilijk te doen.

Wat je alvast nièt gestolen hebt, is je ronduit schitterende film-en theaterloopbaan. Beroemd ben je sindsdien geworden in de hele Francitude. Jarenlang titularis van de ‘Comédie Française’. Met ondermeer ‘Jaurès’ ben je helemaal doorgegroeid naar het grote betere werk en de eeuwige roem.

Mocht dit welgemeend Ronsies eerbetoon - diepe dank omdat je ons stadje in het groenste dal van Vlaanderen niet vergeten bent - je onder ogen komen, dan hoor je ook te weten dat je hier altijd zeer welkom bent. Ik zal je zelf graag tonen hoe mooi Ronse tegenwoordig toch kan zijn. Misschien vinden we dan samen, un beau dimanche, op het oude kerkhof waar zowel jouw voorouders als de mijne in vrede rusten dat graf waarop je mama die roses blanches legde voor haar mama.

Het ga je goed, Thierry La Fronde.
Tuupe vuir Ronse, Drouautsie van de Mahieutsies, kameroed.
Ien Ronses ees dat iet.

Aan Jean-Claude Drouot alias ‘Thierry La Fronde’, televisieheld van de sixties op de ORTF.

‘Le cérisier du pirate’.
De Thierry La Fronde à Jean Jaurès.
Mémoires. Editions L’Archipel.

17 juni 2015

BRIEFGEHEIMEN

EEN BEELD VOOR BUUNIE



‘’t Is nie waar hé alle buuntsies weeral op ik had het kunnen peizen’.

Ik hoor het mijn oogappel Margot (2) zo zuchten. Als ze wat groter is, vertel ik haar - bij leven en welzijn - over jou. Als je standbeeld er staat op het pleintje voor de Passage. Hoe ik je in de Cité Bara leerde kennen toen mijn maat Paulke en ik er knikkerden voor de buuntsies die jij wat verderop als een witte magiër onder je zwarte alpenmutsje bekokstoofde in een van je rijhuisjes daar. Het verhaal ging dat je ongeveer de hele steeg ‘ien oa booze’ had gepoft. We zagen je het ’t donkere gangskie op en neer stappen. Vanuit de buik van Ronse recht naar het hart van de binnenstad met je ‘mande’ die je hier in de cité steeds weer kwam aanvullen. Geen fancy-fair of match of je stond er met je bijkans lege korf. Je was dan ook de bedenker van de meest succesvolle Ronsese markttruc ooit:

‘'t Zijn de leeste. Noog vuir ne kalant oof twie’.

De Cité zat vol leven toen. Ik zag er bompa’s op hun omgekeerde stoel, bedacht er vele jaren later een liedjestekst bij voor wijlen De Gevuigoode Mandolienen. Nu en dan kreeg je er het gezelschap van de scharensliep. Er woonde, dat spreekt vanzelf, niks dan goed volk. De sociale controle zorgde ervoor dat onverlaten er zonder veel complimenten werden buiten geschreeuwd. Zo nodig weg gestofd met de matrassenklopper. Street Fighting Wonder Years.

Om vier uur was er een boterham met Kwatta en warme choco bij de Bomma van Paulke. Nog wat later op de avond kwam zijn papa helemaal van Brussel waar hij als drukker werkte. Aan tafel foeterde hij onveranderlijk over de slechte treinverbinding in het algemeen en de selectieve doofheid van de Ronsese politiekers daaromtrent in het bijzonder. Zo’n papa had ik als vaderloos kind wel voor mezelf gewild. Later zou Meneer Albert de peetvader worden van Weekbladgroep AZ.

De Cité is tot op vandaag vrijwel ongerept gebleven. Heb ik onlangs in een nostalgische bui gecheckt. De mensen van toen zijn dood of weg. En ook al jouw huisjes in de dwarsstraat. Na schooltijd zie je er nu andere kereltjes hun eigen wonderjaren kleuren met hun zelf opgefokte buuntsies nuitsies. Sur le Parking des Anges.

Dat je nu je standbeeld krijgt in De Passage brengt me ook terug naar de tijd van onze ontdekkingstochten over de daken van de fabriek aan de Olifantstraat tot helemaal boven de binnentuin van de Arme Klaren. Misschien zouden we er God zelve zien. We zagen helaas Klein Pierke . Aan de zuidkant reikten de dakgoten tot waar nu die parenclub van Belmondo zijn gewezen lief staat te glitteren bij nacht. Niet alleen in West-Vlaanderen liggen geiligheid en heiligheid vaak verstrengeld in eenzelfde tongkrul.

Er waren nog wel andere Buuntsiesmarchands. Maar jij was van hen allen dé ster. Met dit standbeeld brengt de Werkgroep ’t Ronsies Geklapt van deCultuurraad Ronse helemaal terug tot wat het altijd geweest is en blijven moet. Een stad van en voor alle mensen tuupe. Jouw beeld zal ons daar voor altijd aan herinneren.

Zitten we hier niet beter dan bij pakweg de ‘buuneklakers’? Ik denk het wel, Julien.

Aan wijlen Julien Deraedt, Buuntsiemarchand.
Door Valère Depauw ook vereeuwigd in ‘Tavi’ als ‘Cannoo’.