28 oktober 2020

 AVONDUREN

Ronse, een handleiding.
16. Roet in de rijstpap.
Charlie is de eerste zwarte op de schoolkoer. Razend populair. Netjes in het pak. Viltgroene blazer. Strikje om. Brede glimlach zoals die op de chocomelk van Banania en het zwartje van Artic in voorfilms. Pesten op school wat zou het. Goedlachse Charlie is bovendien een voorbeeld voor de sloddervossen die met half losgeknoopte bretels uit de schoolbus worden gedropt aan 'Le Garage du Collège'.
(Niet dat er wat mis zou zijn met sloddervossen, dat ook weer niet).

Na Charlie volgt Robert Ilounga die ons het nakijken geeft met zijn schitterend schools parcours maar wiens levenslot helaas volgens de geruchten (bijna schrijf ik tamtam) spoorloos opgaat in de brousse. Vermoedelijk vermoord door de afgelikte barbouzes van Désiré Mobutu Sese Seko ‘hoeder van vrouwen en kippen’ en goede vriend van het Belgisch Koningshuis. (‘Ne l’oubliez surtout pas, monsieur Guy Polspoet’).
Daarna bezetten de eerste zwarte parels de grasmat van Club Ronse. Rijzige ster Yamouka, (hoeder van voornamelijk vrouwen) en de ietwat korter uitgevallen Zinga. Voor de rest moet onze stad het qua ‘négritude’ stellen met marktkramer 'Caraboudja' uit Saint-Gilles met zijn 'zwarte spekken'.
Nooit is hierbij sprake van ook maar de minste uiting van racisme. Charlie kleurt de schoolkoer tussen de goals zonder netten, Yamouka wordt als chouchou van het publiek luid toegejuicht in het Lagachepark.
Dan komt wat ze in de ivoren torens van het nieuwe zelfverklaarde politiek correcte denken ‘voortschrijdend inzicht’ noemen, roet in de rijstpap draaien.
Op de valreep, voor hij door een gek wordt neergelegd, mag John Lennon nog wel ongehinderd ‘woman is the nigger of the world’ zingen ter ere van de vrouwenemancipatie, maar dan gaat het vingertje onverbiddelijk de hoogte in, slaat het voortschrijdend inzicht op hol, wordt onze hartelijke wereld van altijd voortaan opgedeeld in elk zijn eigen bubbel, incluis een canon van Eigen Waarden.
In die als bedreigend ervaren nieuwe wereld maakt onze broederlijkheid plaats voor elk zijn eigen identiteit als het nieuwe paswoord voor : wij beter dan de rest. Die eigen ‘identiteit’ reduceert de ander liefst tot vreemdeling, indringer, profiteur, ondergraver van verworvenheden.
Vandaag ondergraaft die heilig verklaarde eigen identiteit echter vooral zichzelf, drijft ze de vermeende eigenheid tot ver voorbij de grenzen van het gezond verstand.
Vandaag verbrandt kinderboekenuitgeverij Clavis 7.000 boeken met teksten en afbeeldingen van Zwarte Piet. De uitgeverij herwerkt bovendien vier titels op voorraad met tekeningen die Zwarte Piet voortaan enkel nog wit of met een paar roetvegen afbeelden. De teksten erover zullen het enkel nog hebben over ‘Piet’.
‘Het is een kwestie van voortschrijdend inzicht’, klinkt het daarover in de krant. Kinderen maken er geen punt van. Het zijn vooral volwassenen die problemen hebben met een Zwarte Piet’.
Boekverbranding dus
in naam van het nieuwe
politiek correcte denken.
Ooit toerde ik met een jeugdvriend, hij als Sint en ik als Zwarte Piet, door de straten van Ronse. Dit ter verblijding van enkele Ronsese kinderen die we op vraag van hun ouders thuis hoorden te verrassen, wat ons aardig lukte.
Dat ik hiervoor volgens de canon van het nieuwe politiek correcte denken een halve eeuw later een blaam riskeren zou, krijg ik ondanks alle voortschrijdend inzicht sinds de sixties van vorige eeuw als 'papoe' aan géén van mijn kleinkinderen uitgelegd.
Zij hebben lol met voetbal, basket, dansen met de andere kinderen in hun wereld van morgen. Wat zouden ze malen om huidskleur. Het virus van de haat en het domdenken houdt hen niet tegen.
Dàt virus niet.

27 oktober 2020

 AVONDUREN

Ronse. Een handleiding.
15. Régal.
Een vriendin uit de tijd van ‘Capri c’est fini’ belt me of ik de rouwdienst van haar papa wil bijwonen. Er is koffietafel na. Haar vader was één van de laatste Ronsese overlevenden van de gruwelkampen. Op zijn kist in de Sint-Martinuskerk zie ik zijn grijsblauw gestreept kampenplunje met muts. Brabançonne. Passend eerbetoon. Belgische vlaggen.
Op de 'régal' erna stelt iemand me voor aan een textielbaron die me zo te horen leest en me graag eens wil ontmoeten.
‘Stéphane est journaliste professionel et...’
‘Je sais, je le lis'. Pour moi tous les scribouillards, c’est des fouille-merde’.
Mestkevers. Ik wil hem vragen wie voor de mest staat in de metafoor. Of het verhaal klopt van fabriekswanden achter dewelke hele balen vol grijze streepjesstof wachten op transport naar de kampen, de bestellingen veilig weggeschoven onder het visgraatparket en de buffetkast met de Fine Napoléon en de sigaren.
Doch welopgevoed als ik ben, slik ik mijn repliek in. Ik dank ik hem beleefd voor de kennismaking, zoek een plekje uit aan één van de koffietafels bij de jeugdvriend van mijn altijd al dode papa die me verblijdt met diens goede herinneringen aan hem. Ik hang aan zijn lippen.
*
Er blijkt nog één plaatsje vrij aan onze koffietafel. De textielbaron van daarnet komt recht tegenover mij zetten.
‘Jeunehomme, nous avons intérêt à faire ample connaissance.’
Niks houdt dat tegen, zeg ik hem. Al zal hij ondertussen wel al geweten hebben dat ik nooit onder de indruk ben van zijn wereld, die van het grote geld en de blinde macht, wat hetzelfde is. Mijn eigen lotsbestemming en goede jeugdvrienden hebben me al langer de twee kanten van die klatermedaille getoond.
Ongevraagd onderbreekt hij het goed gesprek met de jeugdvriend van wijlen mijn vader, begint me zijn eigen jeugdjaren te vertellen. Hoe een chauffeur hem naar school bracht. Hoe zijn vader zelf niet eens goed wist welke limousine hij nu weer op stal had staan. Het al te voorspelbare rijkemansgelul Slaapverwekkend. Saai. Als zogenaamd 'mestkever' honderd keren al gehoord in mijn vorig leven in en om de Wetstraat. Mijn gedachten schuiven weg naar dat streepjesplunje op de kist in de Sint-Martinuskerk.
*
Hoe de Ronsese verzetsvrienden die ochtend onderweg naar school vanaf de Wijnstraat zijn gevolgd door een zwarte Citroën van de Gestapo. Hoe ze aan het Bruulpark in de wagen zijn gesleurd. Hoe ze de nacht door zijn ondervraagd op de Grote markt in een herenhuis. Hoe ze bij dageraad zijn overgebracht naar het stadhuis van Ronse. Hoe ze van daaruit naar de Gentse Desmet-De Nayer laan zijn weg gevoerd, uren ondervraagd en gemarteld. Hoe ze als wrakken op transport zijn gezet vanuit het Sint-Pieterstation.
Enkele rit richting gruwelkampen in gesloten donkere beestenwagons zonder licht noch sanitair. Hoe ze in de kampen hun streepjespak om kregen. Hoe ze daat dwangarbeid verrichten tot ze er bij vielen van ontbering, ten prooi aan tyfus, dag aan dag, tussen twee lukrake strafexecuties door. Hoe ze voor mekaar zorgden als Ronsese verzetsbroeders. Hoe ze die ene patat uit de kom van hun eigen waterige soep spaarden om de zwakste onder hen wat aan te sterken. Hoe ze tenslotte tegen de bevrijding van hun kamp door de Russen op handen en voeten liepen. Te zwak om nog op te staan. Hoe de sterksten onder hen uit die hel terugkeerden en me jaren later hun hele verhaal deden voor ‘De Nalatenschap’ een boek dat ik erover schrijven zou. Ter herinnering aan de prijs die zij betaalden voor onze freedom of speech vandaag.
Hoe de kleine Eric Zonneman (9) bij de bevrijding van Ronse iets te vroeg met een Belgische cocarde zwaaide naar de Engelsen, zo dacht hij toch, aan de Willocqsteeg. Hoe hij echter in koelen bloede werd dood geschoten vanop de laatste vluchtende nazi pantser in de straat. Hoe de zelfverklaarde geschiedenis herschrijvers veel later ook dát verhaal nog ‘s zouden minimaliseren en 'duiden' als een geval van ‘collaterale schade’.
(‘De Hollandse mama die niet goed op haar zoon let, want altijd bezig met mannen, ze komt van Sluis, dat zegt toch genoeg?')
Hoe het wit en het zwart aldus keer op keer weg schuiven in het grijs van interpretaties achteraf.
Behalve voor het grijs op de kist.

26 oktober 2020

 AVONDUREN.

Ronse, een handleiding.

14. Vitamine D Route.
Wat moet je op tram 7 in een alom bedreigende wereld zonder je lieverds om je heen zoals op die zonovergoten Vaderdag in de lente?
Wandelen doe je, in vallend gebladerte. Vitamine D achterna in aarzelend melkachtig snel deemsterend daglicht. Zoals virologen het aanbevelen in journaals vol nieuwe pieken en verontrustende statistieken. Incluis het geheven vingertje van de schrikwekkende Minister van Bezorgdheid.
Vooral zelf sterk blijven. In je lege binnenste bubbel. Waar niemand nog komt. Tenzij gemaskerd en op veilige afstand. Als bracht die ene laatste bezoeker je de pest. (Die hoe dan ook toch haar weg vindt in je handpalm op het schermpje van je smartphone).
Eenzaamheid bestaat niet. Voor wie ze niet in de keel knagen voelt. Aan geschrapte plannen voor verjaardagen en droomboekingen die je op de buik schrijven mag, verstilde lachbuien met je oude vriendschappen, je lege stek in het stadion aan het nieuwe kunstgras. Tussen allemaal tribunezitjes met akelige social distance kruisjes erop. Knagen doet het: aan het indraaiend scorend schot van je lievelingsspelertje, alle navenante vreugdekreten die je nu missen moet.
Ik wandel langs vervallen fabrieken, de ene omgebouwd tot trendy loft, de andere tot cultuurfabriek, zonder cultuur. Ik loop langs riante kastelen uit de Great Gatsby- tijd van de vergane grote weelde. Nu zonder ruilparen voor de nieuwe bestemming als nachtclub.
Ik bekijk trotse nieuwe immo-torens, een en al glas en terras op de markt. Mijmerend zit ik aan het verlaten amfitheater, herinner ik me hoe de stad vol leven zat, op scène en op stelten stond. De terrasjes overvol.
Ik loop door de nieuwe Stadstuin die het oude zorggebied verbindt met het nieuwe zorgengebied van een desolate binnenstad zonder de warme gezelligheid van horeca maar wel spokend met maskers. Zoals die op de Bommelsmuur.
Ik droom mezelf verder weg in de avonduren van mijn schrijvend bestaan. Handleiding voor het leven van morgen. Als dit alles een nare droom zal blijken te zijn, waaruit een vaccin ons wakker prikt.

 AVONDUREN.

Ronse, een handleiding.
13. De memoires van Paster mol.
1. Met zijn gigantisch schepnet plukt vader Robert Stockman het gebladerte uit de zwemkom van het Park Lagache, kiepert vanuit zijn roestige jerrycan een mysterieus mengsel in het water. Het hoort ons te behoeden voor bacteriële bedreigingen en genante erupties. Daarop blaast ‘Stokie’ oorverdovend luid op zijn scheidsrechterfluitje. Van veertig gammele cabines vliegen de deuren nog meer uit hun hengsels dan ze er al hangen te wiebelen, stormen we als jonge veulens richting onzekere springplank en donkere diepte. Als een totaal overrompelde champetter op het strand van Blankenberge probeert Stokie ons dat te beletten.
‘C’est pas d’avance!’
‘Te n’ees gien avancie!’
‘Iest onder den doesj!’
Het verhaal gaat dat Stokie zelf, in Ronse even wereldberoemd als zijn zoon Jacky, de Ronsese voetbalgod, Rode Duivel (hattrick tegen Brazilië) bijgenaamd 'Le Zorro d’Anderlecht', niet zwemmen kan.
Hoeft ook niet. Aan de muur van de stortbaden hangt een reddingsband en hij heeft zijn schepnet. Bovendien is hij hier toezichter en klusjesman, geen badmeester. (Die etaleert wat verderop zijn spierbundels voor zwemdebutantes).
Daar, in de kleine diepte ernaast, zie ik Paster Mol voor het eerst. Tronend op een stoel die hij midden het water heeft neergepoot, als in een film van Jacques Tati. Albert Cambier in zwembroek, op een authentieke Thonetstoel nog wel, middenin dat kleine zwembad als attractie op zichzelf, vrolijk commentaar spuiend op al wie schuchter de 'instructions' onder de reddende stok van 'monsieur le maître nageur' (pijp in de mond) uitprobeert.
2. Retorica Sint-Antoniuscollege. Het blijft wachten op onze leraar esthetica die danig boeien kan met Michelangelo di Lodovico Buanarotti. Na ruim een half uur komt superior Elias Couvreur (‘Roosten Eliaas’ in de schoolgangen) ons met een gezicht dat een teveel aan maagzuur signaleert, melden ‘dat Eerwaarde Heer Cambier vandaag helaas geen les geven zal. En de komende weken ook niet. De rest van het schooljaar evenmin’. De reden hiervoor wordt niet meegedeeld. Wat de tamtam meteen aan het roffelen zet.
3. Onderweg naar de Brusselse Koningsstraat, waar ik aan de slag ben op de redactie van Spectator wordt ter hoogte van Ninove mijn aandacht getrokken door een oudere langharige lifter. Bij nader toezien aan het stoplicht is het mijn verdwenen estheticaleraar Albert Cambier. Ik pik hem op.
‘Ah Steef ’t zoade goa'.
‘Ge vroegt oa zeikerst aaf woerom da’k tuus wieg waas. 'k Goet oa explikeiren'.
Spontaan begint hij zelf meteen over hoe fout hij toen bezig was. 'Voor niks nodig', onderbreek ik hem. 'Ik wil het niet horen. Ik ben geen onderzoeksrechter'. Al waardeer ik zijn oprechtheid. 'Vertel me liever over de crypte.’
Enthousiast schakelt hij daarop in een spraakwaterval over naar zijn doctoraat. Een goed gesprek dat ons bovendien terugvoert naar een gemeenschappelijke vriend, de Ronsese topkunstenaar Armand Demeulemeester.
Net als Armand dat tegenover mij zelf eerder ook al deed in zijn atelier daar onder de balken aan Wittentak, haalt hij herinneringen op aan hun onbedaarlijke lachbuien, dan weer hun vlammende koleires en hun gedeelde liefde voor het pure in kunst. Zoon Jan Demeulemeester heeft die hang naar dat authentieke van niet ver.
Het afscheid die dag is vintage des mensen. Wetend dat we weinig of niks echt weten in dit gesmeten leven van het ondermaanse. ‘Deus sive natura’, zoals onze maat Spinoza pleegde te schrijven. Konden de stenen van de crypte spreken, wat zouden ze ons dan weten te vertellen dat niet van alle tijden is? Aan een struik patatten hangt er van alles.
4. Zoals elke Ronsenaar zie ik hem dan de jaren erna dag aan dag bezig met het ‘scharten van stenen’ in en om de crypte. Doctoraat op zak. Officieel benoemd tot conservator van Ronse. Stond hij voorheen in het krijt tegenover de medemens, dan heeft hij in hechtenis die schuld vereffend aan het geldend tarief.
Met onverminderd enthousiasme trekt hij monter weer aan de slag in en om zijn levenswerk: de crypte. Die tovert hij geduldig om tot één van de mooiste van Europa. Wie het vandaag over de crypte van Ronse hebben wil, die kan niet omheen het titanenwerk van Albert Cambier.
In die dagen van noeste arbeid belt hij me op. Hij wil me absoluut wat tonen, of ik sebiet afkom, hij wacht mij op aan Sint-Hermes . Weigeren is geen optie.
De Sint-Hermeskerk is in die dagen dakloos vanwege restauratiewerken. Helemaal boven staat een ijzige wind. Bij één van de betonmolens daarboven scharrelt hij naar een zware voorhamer, zwiert ermee naar alles wat los ligt, keilt de hamer een eind westwaarts. Razend.
‘Ziede dat? Beton! Beton! Beton!'
‘Ze zoan de grute kirke geu an’t vermuusen!’
Hij is ziedend. De wanhoop nabij. Hoe hij die betonmolens ziet dol draaien. Volgens hem op het razend ritme van de geldwolven. Met hun geprefabriceerde aanbestedingen. Hun discrete envelopjes onder tafel. Hun exuberante levens. Hun culinaire geneugten.
De schade van de betongieterij is nu al niet meer te overzien.
5. Telefoon van een jeugdvriend die dan in Sint-Sauveur woont, waar ook mijn voormalige estheticaleraar ondertussen zijn hele hebben en houden heeft opgeslagen: in een huis dat van onder tot boven bulkt van de boeken.
‘Het huis van Paster Mol staat in brand!’
Ik bel onmiddellijk naar de familie. Die weten het nog niet, haasten zich erheen. Wat daar te constateren valt is dat de brand hem helaas fataal is geworden. Dat hij samen met al zijn boeken in de vlammen is opgegaan. Zoals in die scene van ‘De Naam van de Roos’ waarbij het scriptorium totaal in de fik gaat, incluis duizenden kostbare manuscripten. Onder meer de ‘Ars Poetica’ van Aristoteles waar broeder William van Baskerville (Sean Connery) zo hard naar zocht. Het leven als tragedie, komedie en epiek.
Van de familie verneem ik achteraf dat één boek als bij wonder toch nog uit de vlammenzee kon worden gered. Niet het minst interessante: zijn eigen memoires.
Ik heb er prompt een optie op gevraagd. Al weet ik nu niet meer of ik die memoires eigenlijk wel lezen wil. Wat me nu immers van hem bijblijft, is de mens die ik gekend heb met dat grote prachtige unieke levenswerk: de crypte. Te mooi voor postume woorden in de wind.
Laat dit hier dan ook vooral gelezen worden als eerbetoon aan het levenswerk van Albert Cambier. In het licht van zijn eeuwigheid door alle Ronsenaars bijgenaamd: ‘Paster Mol’.

 AVONDUREN

Ronse, een handleiding.
12. Blufpoker.
Op zijn vrouwenfiets zonder spatborden tovert hij tot pret van ons allen prachtige grote waterbogen uit de diepste plassen op de gitzwarte patronagekoer.
I’m singing in the rain
What a glooooorious feeeel!
Vroeger zat ik hiernaast in de bewaarschool van de Hoogstraat bij zuster Zenobie die me wijsmaken wou hoe goed God de Vader toch is, ook al heeft hij uw eigen vader de hemel in gedood want Gods wegen zijn zoals de patronagekoer van ons scoutslokaal: ondoorgrondelijk.
De leukste van alle vaandrigs heet Pol. Hij veegt zijn bottines aan ongeveer alles wat in een beloftelied voor waar gezongen wordt. Fier dat wel. Maar op zijn eer te vertrouwen, het valt nog te bezien, het is ingewikkeld, het hangt af van de omstandigheden. Hij is een pragmaticus zegt hij. Verwacht van hem vooral het onverwachte. Innemend, zo totaal anders dan de andere scoutsleiders, paraderend in hun stijf gestreken uniform behangen met lintjes en sterren, maar al te graag in houding springend en Geef acht! schreeuwend als de aalmoezenier ook maar even vluchtig opdaagt in soutane op zijn Puch pétrolette.
Jaren later zie ik als collegeleerling onze vrolijkste vaandrig voor het eerst terug aan de schoolpoort waar hij om vier uur allesbehalve toevallig in een glimmende majestueuze cabrio komt voorbij gegleden, terug van bij de Witte Paters in Belgisch Kongo, wuivend als was hij de koning zelf, breed lachend als steeds.
‘Salut les collégiens!’
Balen is het weerzien deze keer. In de boekentas tors ik een hoop saaie taken voor wiskunde, Grieks en Latijn, de zon schijnt vandaag niet voor iedereen.
Dan wordt het jaren stil rond hem. Geweten is dat hij een ‘een zeer hoge positie’ bekleedt op de Belgische ambassade in Seoul. Ja er zijn nog Ronsenaars die hier niet rond de Blote Pompier blijven hangen, ‘het helemaal maken’ in het buitenland.
Op een dag staat mijn lievelingsvaandrig die het helemaal gemaakt heeft voluit in de krant. Hij blijkt in de doos gedraaid, zit vast in Vorst.
‘Spion voor de Russen’.
(Voor minder doet hij het niet, is mijn eerste reactie).
De kronkelwegen van mijn journalistieke broodwinning hebben me in die dagen op de leuke redactie gebracht van een blad waar ik met hopen lol en talloze kopjes kruidenthee bladzijden vol pen over coureurs, chanteurs, footballeurs en vijzenplooiers (John Massis).
‘Spion voor de Russen? Als handelsattaché? Mijn gewezen scoutsleider?’ toon ik hoogst verwonderd hoofdredacteur nummer tien in een reeks van vijftien het nieuws van de dag.
‘Als de Russen echt op 'Polie Dollar' (zijn bijnaam in de pokerkringen hem welbekend) wachten voor grote Belgische staatsgeheimen, dan zitten ze morgen in mijn voortuin op Broeke’.
‘Voilà. Ge hebt daar al een heel verhaal. Schrijf het’.
Wat ik doe. Paginavullend. Twee bladzijden. Grote foto uit zijn tijd bij Theater Voor Taal en Volk met ondermeer jeugdvriend Orphale Crucke in het stuk ‘Juarez’.
Het proces volgt veel later. Ik ga het volgen in het imposante Brusselse justitiepaleis. Al valt er niet echt veel te volgen. Het gaat achter gesloten deuren. Het enige wat ik hoor, is de bulderende stem van zijn verdediger en vriend Orphale Crucke, dwars doorheen de gecapitonneerde deur. Orphale haalt alles uit de kast, de griep in het lijf. Doch elke strafmaat is wat het wetboektarief ervan zegt.
De vaandrig komt wel goed weg maar vliegt toch voor de minimum voorgeschreven tijd de nor in. Het helpt daarbij niet echt dat hij zelf als beschuldigde absoluut blijft volhouden dat hij als communistenvreter het geld van de Russen gebezigd heeft voor een goed doel.
‘Welk goed doel?’
‘De Paters van Scheut’.
Een paar jaar later wordt er op thuis op de deur geklopt. Voor mij staat ‘Polie Dollar’. Commissaris Maigret-pijp in de mond. Hoe hij daar met grote stijl zijn lederen etui elegant laat glijden over de salontafel. Hoe hij daar zit te stralen alsof hij van de Bahama's komt en niet recht uit de gevangenis. Schitterend in zijn koningsblauw pak. Grand seigneur.
‘Ik kom je bedanken. De gevangenisdirecteur heeft je stuk gelezen en hij heeft me op slag bij hem geroepen. Als ik dat hier zo allemaal lees, zijt gij nog de kwaadste niet ge moogt voortaan in de bibliotheek werken om uw tijd hier uit te doen’. Een gunstregime, zegt hij me.
Kort erna wordt hij waard van de Verdi aan het Guissetplein. Na een van onze maandelijkse vergaderingen met de Ronsese Persbond landen we er bij hem voor een slaapmutsje.
Jacques Quintens, lokaal verslaggever voor Het Nieuwsblad fluistert me wat in het oor met licht West-Vlaams accent.
‘Naar ’t skijnt begunt ie ne casino’
‘Ik zal het hem sebiet eens vragen zie’.
Bij Pol aan de tapkast wacht ik op het geschikte moment.
‘Klopt het Pol, dat ge ne casino gaat beginnen?’
‘Moer Steefken, ge wet tooch da’k ôl da guild van de Ruussen an de poeters gegeiven hei.’
Si non e vero
e ben trovato.
In de brede smile die ik er bovenop krijg, zit zijn hele wereldje larger than life.
En in die verzonnen werkelijkheid zit hij volgens mij nu in de zevende hemel te blufpokeren met pater Verbist.

 AVONDUREN

Ronse, een handleiding.
11. De Nieuwe Ronsese Alliantie
De omwenteling komt er via de huizenmarkt. Dezelfden die dag aan dag kankeren over ‘al die grauwe hier,’ aangepord door de extreme partijtrollen, zijn de eersten om hun huis van de hand te doen aan de nieuwe Ronsese families vanuit Molenbeek.
Een immokantoor aan het station maakt er openlijk een winstgevende business van. Verkoopt Ronsese werkmanshuisjes aan de lopende band. Maakt aldus van Brusselse Molenbekenaars nieuwe Ronsenaars : aan de oevers van de Molenbeek.
Vier huisjes hier voor de prijs van één ginder. Moet lukken. Daar verkopen, hier kopen. Twee keer winst voor de makelaar. De huizenhandel kan uiteindelijk worden stilgelegd. Maar de culturele mix en de diversiteit zijn een onomkeerbaar feit. Ronse is nu een stad van de wereld. Of liever: de wereld is er komen neerstrijken.
De oude rancunes tussen rechts en links borrelen daarbij op. Wie gelooft in dit nieuw gediversifieerd sociaal weefsel van een stad voor alle mensen Tuupe wordt weggehoond als wietie, naïeve kloot, linkse rat, volksverrader.
Ongecomplexeerd Ronsenaar zijn in de wereld van vandaag, eenieder laten leven, het is zogezegd noch min noch meer verraad aan De Waarden Van Het Oude Avondland.
Aloude goede Ronsese vriendschappen worden daarbij zwaar op de proef gesteld, onder druk gezet. Erger nog dan ooit lang geleden, ten tijde van Renaix-Bilingue versus Ronse Vlaams. Ronse lijkt de taal van het hart kwijt. Wat je nu hoort, is de taal van de haat.
Elke Ronsenaar wordt voor de keuze geplaatst, het is wit of het is zwart. Alle zin voor nuance wordt verdacht. Afwijkende meningen worden niet langer geduld. Wie anders denkt, wordt de laan uitgestuurd. Alle aloude zekerheden van de Ronsenaars schuiven ondertussen weg.
Dan haakt het Vlaams Belang, opvolger van het inmiddels verboden Vlaams Blok, verrassend af bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen. Er is sprake van gesprekken daarover vooraf onder Vlaams-nationalisten.
De Nieuwe Vlaamse Alliantie haalt in elk geval daarop het democratische DNA van het oude Vlaamse Ronse helemaal terug uit de kast.
Dat van de voormalige Volksunie versus historische rivaal CVP.
Het Vlaams-Nationalisme wordt hiermee helemaal op de kaart gezet en maakt zich op voor een wisselcoalitie .
Weliswaar pas ná een mislukte sossenswitch samen nog wel met de NVA die de inmiddels incontournabele burgemeester Luc Dupont op zijn Quickies eventjes buitenspel mikken wou. Niet dus.
In 2024 kan Ronse eindelijk zichzelf terugvinden en een halve eeuw achterstand, alle geleden schade van het wurgstatuut ombuigen tot een volwaardig statuut mét gerarandeerde taalhoffelijkheid voor alle Ronsenaars van vroeger en morgen, van hier en elders.
De valstrik van het donkerste doemdenken is alvast vermeden. Dat is geen kleine verdienste van de Nieuwe Vlaamse Alliantie onderweg naar de zo lang verwachte, altijd uitgebleven echte heropstanding en ontsluiting van Ronse.
Maar het blijft uitkijken voor elke ontsporing. Dé grote uitdaging voor Ronse is er niet minder om : alle Ronsenaars de enige taal terugschenken die er echt voor elke mens toe doet. Die van het hart.
Avonduren.

 Avonduren

Ronse, een handleiding.
10. Couleur locale.
Hij woont aan het Fabriekstraatje. Dieper in het hart van zijn nieuwe biotoop kan hij niet mikken. De keuze heeft hem vanuit zijn thuisland Tunesië naar hier gebracht op vraag van het Belgisch Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling en haar aanlokkelijke brochure ‘Vivre et travailler en Belgique’.
Werk vindt hij hier inderdaad in de dan al tanende textielsector. We spreken van de roerige sixties. Die gaan aan hem voorbij zoals de Schelde in Oudenaarde aan de ontsluiting van Ronse.
Arbeiders studenten één front?
Alle macht aan de arbeiders?
L’imagination au pouvoir?
Gauw werkt hij zich op tot officieus burgemeester van landgenoten die hier in zijn voetspoor treden. De Ronsese Tunesische gemeenschap is ondertussen generaties verder. Er is verbroederd. De jongeren zijn vlot vier- of meertalig, pakken uit met mooie diploma’s of degelijk vakmanschap.
No doubt about: Ronse is hun stad. Ze zijn hier geboren en getogen. Ze leven hier ondertussen al langer dan vele nieuwe Ronsenaars ‘van hier’ die zich geroepen voelen de stad te besturen, zich onderwijl wel nog altijd afvragend 'waar die Buunie voor staat' .
Hij komt er vandaan, van de plage onder de bakkende zon. Zijn mooie land van sierlijke vogelmuiten koperen cruches en couscous.. Wat hij wil is 'vivre et travailler en Belgique' , zijn kinderen kansen geven.
Hij wil me dat best allemaal vertellen in zijn bescheiden werkmanshuisje, ontvangt me warm en gastvrij, vertelt me voluit over 'son espoir, ses croyances, ses espérances'.
‘Je vous ressers du thé, m'ssieu Stéphane?’
*
1973. Oliecrisis. OPEC. Autoloze zondagen.
Ik begroet hem op de markt. Hij loopt als opgefokt. Zijn wijsvinger recht op de plek, waar mijn hart luistert naar het verhaal van elke mens.
‘Dites-vous bien qu’un jour NOUS aurons le pouvoir’.
Dat we daarover vooral geen illusies hoeven te koesteren. Het hartelijk gesprek van weleer is een kille wij- versus- zij litanie geworden. Ik vraag me af of ik wel dezelfde mens zie als die van een half decennium eerder.
Wat is er gebeurd?
Waar ging het mis?
Vanwaar die omslag?
De Ronsese burgermeester van de Tunesiens van toen lijkt iemand anders geworden. Hij praat als voorgeprogrammeerd. Doet me denken aan de amadezen uit een boek van Elena Ferrante. Aan al die fanatieke zelfverklaarde ridders Huize Roeland in Gent met hun gezwollen Gulden Sporen-romantiek. Aan dat alles waarbij de hoffelijkheid gaandeweg -wijkt voor wantrouwen, rancune, dreiging, ongenoegen,
Vanwaar die scheur, die barst?
Zoals overal elders drijft ook Ronse al eeuwen op de ‘traditionele’ breuklijnen van geld en macht. Zelfverklaarde elites en voetvolk. Le Beau monde of wat daar voor doorgaat en door hen verguisd klootjesvolk.
Daar bovenop komt nu echter de opgefokte dreiging van De Ander. Aangepookt door het sluipend gif van de haatpraat.
‘Vroeger was het beter’.
‘Alles is naar de vaantjes’.
‘Hooguit hadden we hier een paar protestanten Wereldvreemde Getuigen in het Park’.
'En zie dat hier nu.'
Dat nepdebat wordt aangezwengeld door zogeheten ‘prognoses’ (kinderkopkes tellen) die het wij versus zij discours larderen met doempraat.
‘En al hun kinderbijslag’.
‘Met ons geld’.
‘Goedkope leningen van d’ambassade’.
‘En wij ondertussen met ons klein pensioentje’.
Geweldloos wandelen door de stad wordt aldus schreeuwen en knokken. Een Duits cameraman die de knokploegen filmt vliegt met een kaakbeenbreuk Hogerlucht in.
‘En pas op het spel moet hier nog beginnen’.