05 mei 2021

 SALUT LES COPAINS (7)

MONACO,
MON AMOUR.

On peut vivre
sans richesse
presque sans le sous
Des seigneurs
et des princesses
y en a plus beaucoup
Mais vivre
sans tendresse
on ne le pourrait pas
non non non non
on ne le pourrait pas.
***
De eerste keer dat ik iets over Le Prince de Monaco verneem is thuis aan de Ronsese Steenbrugge. Onderweg naar school, halverwege de Wijnstraat, mijn zware boekentas torsend met 'Wannes Raps' erin en leerboeken over taalbeheersing, voor niks meer nodig, nu t of d er niet meer toe doen, je aan fonetisch gebral al genoeg hebt om IN HOOFDLETTERS scheldproza op virologen te larderen via de asociale media. (Hoofdletter schrijf je voorlopig wel nog best met een d erin, ik zeg het maar).
In de bescheiden étalage van het oude sigarenwinkeltje in de Wijnstraat wordt die blauwe maandagochtend fors uitgepakt met nieuwe King Size kankerstokken genaamd Prince de Monaco.
Elk aangeprezen pakje oogt er op een bedje van zilverpapier als een koninklijk theatertje. Onder een belachelijk brede koningskroon dreigen twee bruine paters met in de geheven hand elk een zwaard. Het wekt mijn aandacht. Want God 'n slaat niet of hij zalft en ik zie het de brave Pater Michel van aan de Paterskerk ('de barrière de fer') nog te niet gauw doen.
'Wie met het wapen omgaat,
Zal door het zwaard vergaan’.
(Mattheus 26:52).
De twee Monegaskische sigarettenpaters (bijna schrijf ik operettepaters) schijnen een wapenschild te beschermen dat vol sprookjesachtige rode vakjes zit, rood op zilver.
‘Deo Juvante’ staat er op. Verpletterd onder hun niet eens blote voeten.
'Met Gods hulp', zo bid ik de Allerhoogste boven de Wijnstraat, overleef ik vandaag weer een nieuwe dag vol banbliksems, smaad en vernederingen van ‘Laura’, priester-leraar en tiran-klastitularis van onze zesde Latijnse in het College van de Heilige Antonius van Padua.
Die heeft zich in de vlammend koleirige Savonarolakop gestoken dat ik ‘van begoeden huize ben', bijgevolg zoals al mijn copains ‘de bonne de famille’ dag aan dag diep vernederd dien te worden. Dit vanuit ranzige rancune om zijn eindeloos opgerakelde eigen armoedige afkomst in Sint-Lievens-SS'e.
Had ik maar nog een papa om 'Laura' eens goed op zijn bakkes te komen slaan.
(Aan mama kan ik dat niet vragen, als weduwe heeft ze zo al teveel om handen met haar vijf bloedjes van kinderen, onder wie 'haar vier beren' zoals ze ons noemt).
In dreams doe ik het elke avond na het avondgebed bij het slapengaan dan maar zelf, prik ik het puntje van mijn passer in Laura zijn gat. Dwars door zijn soutane.
Wie met het zwaard omgaat,
zal zeer goed slapen vannacht.
Deo Juvante.

****
Rue Grimaldi.
Rue Princesse Caroline.
Boulevard Albert I.
Avenue du Prince Héréditaire Albert.
Boulevard Rainier III.
Avenue Princesse Grace.
Boulevard Princesse Charlotte.
Quai Antoine I.
Boulevard Louis I.
Mijn echte kennismaking met het dwergstaatje Monaco verloopt stukken leuker. Na die trouwpartij in Roquebrune verplaats ik me, met het oog op diverse exquise tafelgenoegens avec vue imprenable samen met de kersverse bruid, haar stralende bruidegom en het selecte gezelschap hoog boven Fontvieille, het door Prince Rainier voorlopig op zee gewonnen haventje van Monaco.
Hier in Monaco wordt het moeilijk nog iets te vinden dat nièt kunstmatig gewonnen is. Behalve misschien en gek genoeg (het zou Ensor en Arno plezieren) L’ Avenue d’Ostende, vlakbij het Casino en het 'Musée des Poupées'.

'Elle est tellement jolie
que j’en rêve la nuit
c’est une poupée
qui fait non non
toute la journée
pourtant je
donnerais ma vie
pour qu’elle
me dise oui'.

Hier in Monaco horen les jolies poupées, vooral oui oui oui chéri te knikken voor een buitensporig luxebestaan als marionettes van hun 'geldschieters', tussen de Place du Palais et La Place du Casino. Daarbij vooral het 'Hotel de Paris' niet vergeten. Anders ben je (niet genoeg) gezien.
*
Sinds de 14de eeuw zwaaien de Grimaldi’s hier de gouden plak, vanwaar dat exclusief familiale stratenplan tussen de zogeheten ‘steden’ Monte-Carlo en Monaco als mini-Manhattan by the sea.
Niet dat de familie Goyon-Matignon écht rechtstreeks afstamt van de Genuese Grimaldi’s die hier ooit de rotsen veroverden. Maar vanaf 1915 eigenen ze zich wel gretig de naam Grimaldi toe. In 1949 doet de huidige ‘regerende’ familie Polignac alias Grimaldi dat nog eens over. Polignac, het klinkt als een Grand Cru Classé.
****
De hedendaagse geschiedenis van Monaco als dwergstaat is nog een heel ander verhaal. Dan heb ik het niet over de dramatiek van prinses Grace die zichzelf te pletter rijdt in de rotsen. Evenmin over de gezusters prinsesjes Caroline en Stéphanie die zich altijd wel door de ene of de andere in en uit de bocht gewipt weten en daar zelf hard hun best voor doen.

'
Comme un ouragan
qui passait sur moi
l'amour
a tout emporté
et mon coeur
bat trop fort
ai-je raison
ou tort
de t'aimer
tellement fort?'



De recente geschiedenis van Monaco is er nièt een van bruine paters met zwaarden die je als brave Europese zorgbelastingbetaler schaamtelood een pater schilderen.
De Ene Ware Almachtige God die vandaag Monaco als Deo Juvante aan al die buitensporige luxe helpt is die van het Geld.
Cash Cash.
Cache Cache.
De God van het Grote Geld die kommerloos piepkeduik speelt met Europese belastingbetalers en daarin de brave Belg met zijn extravagante Kafkaiaanse onstructie van federale staat en drie deelstaten als gepluimde kandidaat Wereldkampioen Taksen. Je zou op de duur die Brexit Boris nog sympathiek gaan vinden.
Op de planeet bestaan er tot op vandaag heel probleemloos nog een heel boeket belastingparadijzen.
Monaco is daar maar één van. Waar het geld vandaan komt, maakt niet uit. En of dat Casino er voor Gods witgewassen zieltjes staat, is sinds die Sint-Bartholomeüsnacht al langer bijzaak.
L’argent n’a
pas d’odeur.
Faites vos jeux,
Dieu reconnaîtra
les siens.
*
In zijn ‘Discorsi’ herleidt de Florentijn Nicolo Machiavelli alle strijd in dit ondermaanse tot een eindeloos streven tussen de elite die de macht dus het geld bezit en behouden wil en het volk dat dit alles veroveren wil. Lukt dat, dan veranderen mmacht en bezit (voor even) van kamp. De tijd dat het geld de nieuwe machtsverhoudingen weer gaat corrumperen.
Monaco staat in dat spel altijd aan de winnende kant van wie het geld heeft. Maakt niet uit wie het binnen brengt, nog minder waar het vandaan komt.
Oost West
Monaco
Rendeert
Het best.
Deo Juvante.
Salut les Copains (7).

 SALUT LES COPAINS (6)

Si maman, Sissi.


Si maman si
maman si
tu voyais
ma vie
je pleure
comme je ris
mon avenir
est gris
et mon coeur
aussi.


De geheel aan God gewijde jonge priester uit Tonkin, het Franse protectoraat van zijn mama ‘Ma Tonkinoise’, door papa, ‘ancien d’Indochine et beau comme Delon’ weggeplukt uit het Cochin-Chine van Marguerite Duras en haar amant de la Chine du Nord, zegent het bruidspaar.
Zijn preek houdt het midden houdt tussen het sarcasme (étonnant non?) van Pierre Desproges en wijlen mijn held Guy Bedos.
Les Vacances
à Marrakesh.
La drague.
Zozeer houdt de dienaar Gods van al die liefde rond het altaar in zijn kerkje van Sainte Marguerite dat hij kort erna Le Bon Dieu verder alle bonne chance wenst en zelf trouwt. Zoveel goesting dat hij ervan krijgt.
Ik dank de Heer dat hij me, door de wonderen van het peterschap, op deze zonovergoten plek hier aan de Corniche Supérieure in Roquebrune dropt om er getuige te zijn van het leven zoals het bij mijn weten zelden is.
Hier helpt Sissi (stel je ze vooral nièt voor als Romy Schneider in haar eerste flutrolletjes ) in de negentiende eeuw als Keizerin van Oostenrijk dit oude godvergeten rotsdorpje aan zijn reputatie als toevluchtsoord voor gekroonde leeghoofden, vol romantiek voor verhaaltjes in ‘Point de Vue et Images du Monde’.
Hier komt Winston Churchill als oud strijder schilderachtigheden schilderen en, tussen twee immense sigaren door, zijn 'bons mots' placeren voor biografen.
Het is lang voor La Vieille Albion zichzelf met of zonder ‘Tunnel sous la Manche’ bevrijdt van het Verenigd Europa der Bobo’s met zijn zelfverklaarde ‘leaders’ die niet eens de courtoisie opbrengen hun Première Dame te laten voorgaan, elegant hun zitje af te staan.
De Europese Gemeenschap
voor bloemkolen van staal.
Hier, in Roquebrune, haalt dichter W.B.Yeats in ’39 de neus op voor het totalitarisme van rechts en links dat er zit aan te komen. Hier stapt hij de ontsterfelijkheid in.
J’adore cet endroit.
Plek voor pen en papier.
***

Vervuld van verwondering groet ik er die ochtend de bloemen, loop ik door steile smalle straatjes onder romaanse bogen door, weg mijmerend in al die vorige levens achter middeleeuwse muren rond wat rest van het sombere Karolingsche kasteel met wapenzaal, gevangenis, keuken en vooral het vertrek van de Seigneur hemzelve. Het is in de jaren 900 opgetrokken tegen aanvallen van de Saracenen. Une vue superbe, gunnen ze zichzelf wel de ridders. En zonder Booking.com.
Hier behoedt de Notre-Dame-des-Neiges hun opvolgers voor de pest. Want voor wat hoort wat. Onzekere vaccins laten er dan al op zich wachten, ze doen het met weesgegroetjes. 'Notre-Dame-en-nage' ware wel toepasselijker
Je stapt jjezelf hier helemaal in het zweet des aanschijns.
Hier staat volgens de legende ook ergens een olijfboom van naar schatting 4000 jaar oud, met een diameter van wel tien meter.
De overdrijving van onze oude vrienden de Leliaerts uit 1302 zullen we andermaal toedekken met de ridderlijke mantel der liefde.
Vierduizend jaar. En dat terwijl mijn met veel warmte gekoesterd onnozel olijfboompje al na het eerste zachte winterkoninkje compleet kapot gevroren bij het tuinafval belandt.
Het kapelletje van La Pausa naast die wonderboom is op 5 augustus het vertrekpunt van een jaarlijkse processie waarbij de hele bevolking van het dorp open en bloot al van in 1467 scènes uit het lijden van Christus uitbeeldt.
Mooi allemaal. Maar waarom heb ik nu gewoon goesting naar een zak friet met mayonaise aan de Gentse Koornmarkt en erna een chololat glacé aan de Graslei?
Misschien omdat het leven zoals het in die glimmende boekskes beschreven staat veel te mooi is om waar te zijn.
SALUT LES COPAINS (6).

SALUT LES COPAINS (5)

Poire Belle-Hélène.

Zeg nooit Cavalaire als je Cavalière bedoelt. Je wordt door de locale filière van commercanten prompt geseind als touriste Belge. Je bent klaar voor plundering van je carte bancaire. Want charmeren en verleiden zullen ze je. Met niks dan het beste en het grootste van alles wat Brel les inutilités had genoemd.
'Fait maison'.
'Certificat d’authenticité'.
Zo authentiek als hun Barbe-à-papa, hun Mistral Gagnant of hun Bamboleo. Uitpakken zullen ze met de espadon die vannacht door hun copains d’abord in Le Port du Lavandou is binnen gesleept op de Marie Galante.
Zo groot als de baleine waarin Jonas na de door God eigenhandig geblazen zeestorm drie dagen en drie nachten werd gehuisvest om hem tot betere gevoelens te brengen. Zo dat hij Gods bevel opvolgen zou, de goddelozen van Ninive zou gaan waarschuwen dat ze dringend moesten beginnen bidden of dat de Almachtige anders hun stad binnen de veertig dagen grondig vernietigen zoude.
Het harde Oude Testament komt hen voor hun 'biznesse' beter uit dan al dat slap gedoe van het Nieuwe Verbond, hebt malkander lief, al die zoethouders voor watjes.
In hun négoce kom je met mededogen niet verder dan vegeteren als Sans Domicile Fixe (SDF), overdag bedelend om 'une petite pièce' in de steegjes van Bormes-les-Mimosas, overnachtend onder kartonnen dozen uit de Monoprix, verdoken in de omliggende oude ruines au pays des Seigneurs de Bormes.
Emmenez-moi
aux pays
des merveilles.
Il me semble que la
misère serait moins
pénible au soleil.
Faut voir. Wonderoliën zullen ze onder je neusgaten schuiven, tegen alle soorten pijnen van het zijn. Of dan die kleurrijke pareo, fait main pour madame. Zoiets vrolijks ga je haar toch niet ontzeggen? Ze zal, zeker zo kort na haar bevalling, sebiet veel slanker ogen.
‘Et de surcroît très balnéaire’.
'Très beach(e), ma petite dame’.
En, tot de verse vaderfiguur:
‘Vous oseriez lui refuser ça?'
'C'est vraiment donné'.
'Au prix d'un mouchoir'.
Je bezwijkt. Je kan veel hebben. Ze mogen altijd proberen hun vodden te slijten. Maar harteloos? Nee.
Wat echter de doorslag geeft? 'Très beache' klinkt je in de oren als 'très biche' en doet je onweerstaanbaar in haar ogen duiken. Canicule au coeur.
'Biche, oh ma biche
lorsque tu soulignes
au crayon noir
tes jolis yeux'...
'T’as le look coco',
fleemt hij haar nog na.
'Coco, t’as le look'.
Eens betaald, gaat al zijn aandacht meteen naar zijn volgend slachtoffer. L’arnaque. Zo te horen uit pure noodzaak Want je wil niet weten wat hij afdokte voor de drempelovername van deze boetiek, de huur van het emplacement.
‘Vous êtes de Bruxelles?
Ha, les moules, j’adore.
Vous cherchez quoi au juste,
pour la p'tite dame?'
Het enige wat Cavalière en Cavalaire als toeristische muizenvallen behalve hun blokje lokkaas (Jeff de Bruges) gemeen hebben, is dat ze samen onder dezelfde Corniche des Maures op je vakantiegeld liggen te wachten, tussen de Cap Bénat en Cap Camarat.
* **
Het Grand Hôtel Moriaz in Cavalière dankt naam en faam aan alles wat je verwacht als je je budget zwaar uit evenwicht halen wil, in ruil voor alles waarmee je de beangstigende stroom nieuwe verantwoordelijkheden in verband met je vers verworven ouderschap voor je uit schuiven wil, heel even nog de rol van mier ruilen wil voor die van krekel. De koffers op de kamer, strandwandelingen, zon en zee . Meer hoef je er bovenop een perfect onthaal, bediening en succulente tafelgenoegens niet te zoeken. Bonnetje komt zo.
Il y a le ciel,
le soleil
et la mer.
In Frankrijk ben je Belg voor de Fransen en Vlaming, Waal of Brusselaar voor de Belgen. Verbroedering kan na de eerste anisette onder ex-pats samen aan de bar bij Jean niet uitblijven. Zeker nu een bonkig fietsende Flandrien uit Diksmuide genaamd Michel Pollentier toch wel helemaal bovenaan Le Classement Général staat in de Tour de France.
Ik zie ons daar samen als Vlamingen, Walen en Bruxellois bijeen, elk met ons exemplaar van France-Soir ostentatief in aanslag paraderen en uitpakken met ons nieuwe idool ‘de Polle’ op dat strandje van Cavalière.
Trots als de dappersten van alle Galliërs. Fier als een cohorte van allemaal Aldo Maccione’s trekken we richting Hotel Le Surplage, het bastion van de Fransen aldaar terend op hun oude gloriën Jacques Anquetil en ‘Poupou’.
Hier zie. Hier staat het allemaal in. Zullen wij, les petits Belges jullie eens pas echt leren wat koersen is. Cinq colonnes à la une in France-Soir. Dat is nog wat anders dan jullie ijskonijn en secondenjatter Anquetil of l’ éternel second Poupou. Een beleefd doch bescheten applaus du bout des doigts is er ons deel.
‘Bravo les Belges'.
'Mais c'est loin d'être fini'.
'La victoire c’est à Paris'.
'N’oubliez jamais’.
Bij de dopingcontrole ’s anderendaags wordt onze nieuwe held Michel Pollentier betrapt met een peer vol ‘cleane urine’, getaped naast zijn klokkenspel.
Het woord linkebal heruitgevonden met een rubberen peer die van hem voor eeuwig ‘Polle Peer’ maken zal.
Met of zonder Ronde van Vlaanderen, twee jaar later 'op zak’. Bij manier van schrijven.
’s Anderendaags staat er een eerreddende mistral. Het strandbezoek ter hoogte van Le Surplage wordt afgeblazen. Eer valt hier vandaag niet te rapen. Alleen plaatsvervangende schaamte en schande. Vae victis.
***
Ideaal betrokken weertje om te gaan touren en verkennen in Le Rayol-Canadel, La Croix-Valmer. En vooral in Ramatuelle 'ave(c) le tombeau de Gérard Philippe'.
Le diable au corps.
Le Rouge et le noir.
La Chartreuse de Parme.
Les Liaisons dangereuses.
Wat heb ik toch met film? Of is het veeleer de literatuur die er aan de basis van ligt, het leven zoals het net niet is mooier gemaakt dan het in werkelijkheid is.
'Un bonne Poire Williams pour digérer la débandade, Stéphane?' vraagt me Jean Moriaz ’s avonds fijntjes langs de neus weg in zijn strandbar. Jean heeft dat ietsje uit 'The Remains of the day' wat ‘Father’ Antony Hopkins Oscars oplevert en onsterfelijk maakt.
Ik ga voor de Poire Belle Hélène. Trop is teveel.
Salut les copains. (5).
Illustratie: Frank Derie.

27 april 2021

 SALUT LES COPAINS.

4. Croniqueur in Cannes.

Op de trappen van het Palais du Festival begroet ik Sylvia Kristel aan de arm van haar charmante Grote Prins, mijn personal hero Hugo Claus. Samen in de wolken ver van alle Verdriet van België.
Hij, als een Griekse god krullend van trots. Zij, bloedmooi. Elegant als Assepoester. De vrouwelijke schoonheid en gezworen onschuld zelve.
Samen traag de trappen op schrijdend voor haar moment de gloire, in het licht van alle oppervlakkigheid om haar heen. Even uit de kleren als Emanuelle en hopla: goed voor duizend flashes ‘sur les marches de Cannes’. Kassa kassa, dan zien we het wel verder voor de echte rollen.
Als truc werkt dit al van in de tijd van Sofia Loren, Claudia Cardinale, Gina Lollobrigida, Initials B.B.
Altijd weer andere Goldbergvariaties zijn het op het oermodel : het liefje van ‘Happy Birthday Mister President’. Verre van dood, integendeel forever young en vandaag vrolijk wakend aan mijn zijde, hier op mijn schrijfstekje. Net niet zelf geschilderd. Ik ‘n zoude dat niet durven, zo mooi dat ze nog altijd oogt.
*
Ik heb de keuze om hier in Cannes tien dagen lang in donkere zalen te verdwijnen als gepatenteerd ‘filmcriticus’. Als was ik de Vlaamse filmpaus Jo Röpcke hemzelve, of dan de immer minzame Roel Van Bambost van Premiere, de schuchtere filmeminentie Raf Brutstraen van De Standaard. Om nog te zwijgen over de fluweelzachte gentleman movieman Jo De Ruyck. Na de film samen in de rij op de lijst van de persattaché van de sterren, voor een gesprek van 15 minuten met de hele of halve cast.
Of dan kies ik ervoor om me als outsider zeg maar paparazzo in het zweet te rennen op de zonovergoten Croisette, de gegeerde pass van ‘croniqueur’ bengelend aan de hals. Kwestie van de bodyguards rond de flanerende sterren te verhinderen me te molesteren bij elke poging tot benadering van goden en godinnen.
Je vous parle
d’un temps
que les moins
d’il y a
très longtemps
ne peuvent
pas connaître.
Het is lang voor Whitney Houston de 'stiel' van bodyguard aan de zijde van Kevin Costner ingang doet vinden tot bij stoeiende gardes du corps van prinses Stéphanie in en om Monaco.
Het is lang voor Gainsbarre met diezelfde Whitney in de koffer wil, al vraagt hij haar dat veel platter dan ik het schrijf en dan voor half Frankrijk, op een zondagmiddag. Vandaag ware Gainsbarre met of zonder zijn lieve Jane, zijn knappe Charlotte en zijn mysterieuze Bambou al lang overladen met pek en veren.
*
Croniqueur zijn in Cannes is nauwelijks je bed zien, kilometers afmalen, laveren van Gray’Albion naar Majestic en Carlton.
Persconferenties meegraaien met het verzameld journaille voor Cathérine Deneuve (alle 500 stoelen volzet, wie wil een vraag stellen?)
Willeke Van Ammelrooy strikken voor een interview want wereldberoemd in Vlaanderen sinds Mira.
Je door zijn entourage van allemaal Armeniërs heen wrikken om toch, na lang wachten, een quote of twee los te wrikken van Le Grand Charles Aznavour.
Drijvend op lef en je groot bakkes in je eentje optrekken naar Saint-Paul de Vence voor een verdomd interessant gesprek met de in Frankrijk zopas heilig verklaarde Yves Montand, in zijn liefesnestje La Colombe d'Or bij La Grande Simonne Signoret.
Je lange dagen eindigen tussen het nachtelijk canaille aan de Rue d'Antibes en het journaille van het thuisland in Le Petit Carlton. Op vinkenslag voor het gefluisterde nieuwsje dat je vooral niet missen mag, wil je relevantie, er toe doen, het verschil maken.
Ik loop me te pletter, noteer aan de lopende band blokjes vol, sleur met mijn loodzware bandopnemer, leef als in een roes, speel voor hoffelijke gelegenheidsgids van Gouden Pen Hugo Camps die hier compleet de weg kwijt is, eenzaam en verloren in dit circus, ver van zijn vroom en veilig Behang van Limburg.
Ik leef op café-crême en als het lukt, lang na zonsondergang, een minabele pizza ergens aan de havenkant.
Er zijn er op het thuisfront die me om dit alles benijden. Op de krant waar ik dan mijn brood verdien zijn er die me een pietzak noemen.
Je moet het zelf meemaken om te weten hoe leeg Cannes is, achter alle glitter, efemere opgefokte glorie en schone schijn.
Want het witte scherm
is nu eenmaal wit.
En wit is altijd schoner
dan het lijkt.
Dash heeft mooi praten.
Het is Leo Pleysier niet
die me tegenspreken zal.
Salut les copains (4).
Récit. Alle personages zijn net niet fictief.

 SALUT LES COPAINS.

3. Merguez à l'air.

De machtige Mercedes-Benz wiegt me de nacht door in werelden waar ik dans op de wolken van mijn verlangens met de Schoonheid van mijn ultieme hallucinatie.
‘Allez les jeunes, réveillez-vous’.
Vrolijk molent Marie-Reine Cambier, mijn gastvrouw voor de komende weken, de immer vrolijke dame aan het stuur van haar Duits vehikel (noch airco, noch stuurbekrachtiging) het raampje naast haar half open.
‘Les enfants, écoutez le chant des cricris’.
Een miljoen krekels. Zoiets zaligs heb nooit eerder gehoord. Voorbij de duizend bochten van de Route Napoléon dwars door de nacht, tussen Solliès-Pont en Solliès-Toucas, begint het te klaren.
We zijn onderweg naar La Capte, onder het oude Hyères op het Presqu’île de Giens waar de tijd voor goed stil staat.
Et la vie sûrement
plus d’un million d’années.
et toujours en été...
La Capte heeft meer dan alles wat ik er als adolescent van verlangen durf. Volle vriendschap, oprechte hartelijkheid en warme gulle gastvrijheid.
Met mijn jeugdvriend Guy-Louis verkennen we er de zoutbanken langs de ‘Salins des Pesquiers’, steken we over naar Porquerolles (waar volgens Nice-Matin Mylène de Mongeot gelukkige dagen slijt met Marc Simenon het zal me worst wezen) en het natuurparadijs Port Cros.
L’île du Levant doen we niet. Sinds Mai ‘68 lopen ze daar met zijn allen in hun blote, merguez à l’air. We houden onze maillots-de-bains liever aan, met de adders daar weet je nooit of ze in duel willen.
Binnen de week zijn we er aan vrolijke bendevorming toe, rijden we in konvooien Renault, Méhari en 2CV naar La Londe, verbroederen we er met de Gendarmes de Saint-Tropez die ons voorstellen aan Marie Brizard.
We schuimen er ‘La Route du Sel’ af, hangen tot het ochtendgloren in 'Le Port du Niel', bekijken vanop rotsen de zonsopgang in La Madrague.
Le jour se lève
sur la terre
alors le
monde entier
fait l’amour.
Esther Galil bedrijft de liefde niet. Zij zingt en danst de nacht door voor eenieder met in gedachten die ene.
*
Een duik in het azuurblauwe water en onze mooie zomer zonder witte haai kan weer herbeginnen. Ik lees ‘Bonjour tristesse’ van Sagan, observeer tussendoor de strandjutters, stuk voor stuk personages die één keer La Capte hebben gezien, er nooit meer weg geraken. Ze kunnen zo figureren in ‘Pauline à la plage’ en de andere prenten van Eric Rohmer.
Neem ‘Madame Elsa’ die ik er onder haar immense strohoed dag aan dag wezenloos voor zich uitstarend het strand zie afstruinen, eindeloos wachtend op de ware die nooit komen zal.
*
Negen levens later keer ik er terug met mijn oudste jongen Cédric die er met zijn gezinnetje in het prachtige oude Hyères aan
Nicolas Broche
behalve een hoogst hartelijke gastheer een copain pour la vie overhoudt.
Want zo zijn ze hier. Met ‘Salut les copains’ bedoelen ze dat je dan nu misschien wel tijdelijk afscheid van ze neemt, maar dat je tussendoor diep in hun hart blijft zitten: tot de volgende keer.
Il est bientôt
cinq heures,
le matin va venir.
Vous allez tous partir.
Ik hou zielsveel van La Capte en van het schiereiland Giens. Keer op keer wil ik er terug. Het hart vol herinneringen en uit op steeds weer andere nieuwe indrukken.
Zoals die keer op huwelijksreis toen het dagenlang pijpenstelen regende, alles er potdicht zat en zelfs Madame Elsa het voor bekeken hield.
Salut Les Copains (3). Récit.
Alle personages zijn net niet fictief.