12 mei 2020

HERMES IN HET HART



Wat ik van haar nieuwste parel vind, vraagt me Anne Meersschaert.
Haar twijfel is die van volbloed kunstenaars met haar klasse. Onbegrijpelijk voor onvoorwaardelijke fans van mijn slag, al vanaf haar eerste penseeltrek over de Fiertel.
Haar aquarellen met schrijn, bellenman, dragers, marechaussee: ik was er altijd al ondersteboven van.
Subtiel zet ze onze diepste Ronse roots rond onze getorste traditie in die unieke Fiertelsfeer om tot sublieme gedeelde schoonheid. Met onweerstaanbaar hoog inlevingsgehalte.
Haar werk, fijntjes en vakkundig verwerkt tot staptegeltjes in opdracht van de Maatschappij der Dragers en Bellenmannen, siert sindsdien verdiend menige Ronsese stek.
En zie, samen met de onzekerheid die haar allicht altijd wel blijven kwellen zal, geef ik hier (met haar goedvinden dat spreekt ) bij wijze van primeur haar nieuwste ovenverse schitterende creatie mee. Voorbestemd voor alweer een volgende staptegel in de mozaïek van schoonheid die ze in al haar bescheidenheid bijeen penseelt.
Wat ik ervan vind? Fantastisch Anne, schrijf ik haar terug. Al wil ik met mijn onvoorwaardelijk enthousiasme vooral de broze dagdroom niet verstoren bij het gewoon stil genieten van haar werk. Door al wie zoals ik Hermes en zijn Ommegang diep in het hart heeft zitten.

SCHRIJFSTEK.
Dagboeknotities.

MAETERLINCK



Bij elke lenteschoonmaak bezorgen lieve lezers me vergeelde documenten opgediept uit hun nalatenschappen. Deze lente is dat niet anders. Dus doorblader ik onder mijn zonovergoten plataan een zoveelste stambomenonderzoek naar illustere Ronsenaars.
De famille d' Anvaing de Vallemprez had hier burgemeesters (in 1687) en schepenen (in 1701). Jéhan d'Anvaing klinkt daarin als een géant. Anders dan Jéhanne , gedoopt in Arc in 1596 en zes jaar later al opgenomen in de eeuwige zaligheid het schaapje.

Ik dacht aan haar toen ik op mijn koersvelo langs de nieuwe schrale kruiskegod fietste waar je dat gedoe hebt met graaf de Béthune zijn taart in de Fiertel.

Bij d'Anvaings werd er gekweekt gelijk bij de hazen die uit vers geploegde velden voor mijn wiel komen springen rond het Kwaremontse Rattenkasteel. Louis d'Anvaing moet een Vlaamse reus geweest zijn , als Picardiër. Zijn kroost leest als een litanie. André, Cathérine, Marie, Anne, Elisabeth, Jeanne, Anne-Marie, Gilles, Jean-François, Lucas, Louis. En al wat werd (toe)gedekt met de mantel der liefde na alweer een bloedheet jachtseizoen.
De marraine van Elisabeth, gedoopt in Ronse op 17.4.1624 was een Kiekenpoot. Al vraagt zoveel grandeur gaandeweg om een vlotte notariële verschrijving. Van Kiekenpoot naar Quiquenpoix is het maar een doperwtje inkt. Et ça fait mieux que 'Dame Kiekiespuut'.
Zo dommel ik stamboek na stamboek de petite histoire van Ronse in. Tot ik als gepatenteerd hangoudere wakker word, de neus op de stamboom van patriarch Abraham Maeterlinck. Geboren in Ronse 'rond' 1610. En wie schuift daar ettelijke konijnensprongen verder onder mijn wijsvinger?

Jawel. Maurice Maeterlinck.
Geboren in Gent (en daar is als Ronsenaar zeker niks mis mee) in 1862. De weg van alle vlees gegaan in Nice.
Als gevierd 'littérateur'.
De Blauwe Vogel. Pelleas en Mélisande. Alladine en Palomides. Aglavaine en Sélysette. Ariadne en Blauwbaard. Het wonder van Sint-Antoinius. Jeanne d'Arc. Zijn oeuvre klinkt als een Ronsese stamboom vol progéniture automatique.

Graaf geslagen in 1924.
Nobelprijs literatuur in 1911.

Een nazaat uit Ronse! Mijn hangmat gaat er van walsen! Zie van zo'n niemendalletjes wordt het leesbeestje in mij volkomen lenteblij. Maurice Maeterlinck! Van oorsprong een Ronsenaar! Langs vader Abraham dan nog! Misschien kunnen we toch maar beter een Ronsese ruelle zijn naam meegeven. Een beetje symboliek rond de basiliek staat altijd chic.

Schrijfstek.
Dagboeknotitities.

30 april 2020

MALEDETTA PRIMAVERA

Dat we ze
missen:
hier en aan
de schoolpoort
op het voetbal
na de dansles
overal waar
hun luchtbellen
ons leven mooi
maken en
zo zinvol
putain
de virus
maledetta
primavera.


Schrijfstek.
Dagboeknotities.

HET KLOKKENSPEL VAN HERMES



'We slaan ons hier wel doorheen', glimlacht ze me toe. 'Toujours sourire'.

Haar blik zit vol tederheid. Ze speurt naar de eerste meiklokjes in de binnentuin van ons besloten wereldje aan de Steenbrugge. Ik ben haar 'krotje', de benjamin onder 'haar beren' zoals ze ons, mijn drie grote rebelse broers en ik, noemt.

De eenzaamheid die ik op dergelijke dagen voel knagen achter de tule voor haar zachte ogen stopt ze trots voor me weg onder een lichtjes gekantelde nieuwe hoed (met twee lentefrisse lelies in het gekrulde gootje, een dartele duif ertussenin).

We delen het gemis van dezelfde grote afwezige. Zij haar man, ik een vaderfiguur zoals de andere jongens van de klas en al de andere wolfkes in ons nest van de patronage aan de Hoogstraat.

Monter trekt ze met mij naar de opgesmukte Sint-Hermes die mooier oogt dan ooit, vol heerlijk ruikende imposante bloemstukken.

Ik steek in mijn uniform van welpje bij 'De Ridders van de Fiertel', een sparadrap op de rechterknieschijf. Fietsen is dan al een opgave.

Luid klokkenspel verwelkomt er ons, verbreekt voor even de kilte van haar nachten zonder man.
En de mijne zonder papa die ik mijn Dinky Toys tonen wil.

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

HET EINDE VAN DE WERELD

HET EINDE VAN DE WERELD



'Papoe is het echt waar dat...'
'Ze zeggen ...'
'Ik hoor op mijn laptop ...'

We zitten vijf straten van mekaar te whatsappen. God wat wil ik zijn achteloos tussendoor gelardeerde angst weg walsen met een stevige knuffel. Zeggen dat ik hem graag zie van hier tot bij die zestig satellieten in de sterrenhemel en terug.

(Zoals mijn bompa op dat bankje, wandelstok vol Zwitserse schildjes met Berner heraldiek en berenromantiek in de rechterhand, me een leven geleden zei dat kereltjes van tien niet droevig horen te zijn of bang van wat dan ook. Samen onderweg naar dat stipje onder zijn enorm vergrootglas, de Jungfrau).

Hij floept nu en dan weg van mijn scherm. De boosterplug boven die het weer niet doet. Klotetechniek die mijn phony lockdown bestaan als overjaarse puber vergalt met wegschuivend smartphone gedoe.

'...dat die corona
het einde van
de wereld wordt..'
Denk ik dat ook als papoe?

(Ik als ervaringsdeskundige met mijn lange staat van gevarieerde angsten omtrent oorlog, ziekte, taksen en Trump. Ik als melancholisch romanticus met never ending liefdesverdriet? )

Wat ik ervan denk, lieve jongen?
Dat dit de Derde Wereldoorlog is.
Een die we niet hebben zien komen.
Met een vijand van binnenin.
Maar een oorlog die we gaan winnen.
Maak je vooral geen zorgen zeg ik hem .
Alle kinderen zijn safe .
Het virus richt zijn kanon veel hoger.

Hoe hoog vraagt hij.

In elk geval hoger dan voetballertjes van tien. Maar de vijand heeft bondgenoten. Er zitten verraders onder ons die hun gat vegen aan onze veiligheid.

Hij proest het uit omdat ik gat zeg.

'Echt?'
'Echt'.

Je kan het zo gek niet bedenken of ze doen het. Knoeien met maskers. Zichzelf verrijken met nep. Maar winnen zullen we.
Ik krijg een dubbele duim. Nu moet hij wel dringend gaan sjotten met zijn papa. Hij mist de competitiematches met zijn vriendjes.
Het einde van de wereld wordt uitgesteld.

Dit vanwege een schitterend doelpunt. Rechterbovenhoek. Millimeterscherp.
Gooooooal! Van Kevin Debruyne.
Ha bon. Wat dacht ik wel. Dat zijn wereld stil zou vallen omdat de mijne vergaat?

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

WIE SCHRIJFT...



Licht ontvlambare entourages van voorlopig verkozenen des volks
met acute last van onvoorspelbare afwijkende meningen en gezagsontrouwe standpunten vragen zich vol nauwelijks verhulde gevoelsgeladen bijbedoelingen in sluipende gifmailtjes al eens af waarom ik me dan zelf nooit verkiesbaar stel.

Omdat ik in dit moeizaam doch volkomen vrij blijvend schrijvend bestaan mijn warme kring van fidele lezers verkies boven hun galmende legioenen efemere kille kiezers.

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

02 april 2020

HEBZUCHT IN TIJDEN VAN CORONA

Nobelprijswinnaar Albert Camus toont je meesterlijk wat het doet met mensen zo’n besmetting. La Peste verscheen in 1947. Het is alsof hij het nu schrijft.

Ha, we dachten dat we net zo formidabel konden worden als Trump met zijn dikke viltstift en zijn onderwijl radeloos naar Trudeau ogende al te perfecte first lady.

Dat niks ons overkomen kon. Wij met onze globale constructies en belastingvrije paradijsjes alwaar the sky the limit is, onderweg naar me and myself. Met zijn allen bijeen aan de goede kant van het recht van de sterkste. Wij, de winnaars in de meedogenloze survival of the fittest.
En zie alle giftige tweets ten spijt wordt onze hubris helemaal onderuit gehaald door een 'pandemietje', een soortement ‘griepje’.

Wat het doet met een mens? Hoogmoed en hebzucht in tijden van corona? Dodelijke fuiven. Hamstergedrag. Elk dat eigen maskertje. Miljarden dividenden voor de groten van de bank, verboden banken in gesloten speeltuinen voor de kleintjes op straat.Na de Brexit van Boris nu de finale exit van de Europese eenheidsgedachte. Met dank voor de tulpen uit Amsterdam. Bella Ciao.

Daartegenover staat de hartverwarmende terugkeer naar al het ware het goede en het schone in de solidaire mens. Witte vlaggen alom. Spontaan applaus voor elke genezing. Balkonserenades en knuffelbeertjes.

Volkomen rehabilitatie van de zorgwereld. Meer middelen voor research. Weg met de farmamaffia die vaccins, redding en soelaas in de weg zit.
Wie wou daar ook weer het middenveld helemaal wegwalsen met stoere prietpraat? Haastig bedden bijeen sprokkelen voor intensive care, jawel. In extremis Rode-Kruis tenten en veldbedden bestellen, jawel.

Daarin, als van een wijze Prediker in de woestijn, die ene schreeuw vol diep doorleefde verontwaardiging van de door zichzelf verbannen oorlogschirurg Reginald Moreels. Ver weg van zijn al te machteloze staatssecretariaat voor Ontwikkelingsamenwerking. Armen en benen naaien op het oorlogsfront. Ledematen, afgereten door de eindeloze dodelijke drone-spelletjes van de blinde monsterlijke olie-en geldmachten.

Maar ook alle warmte en schoonheid van vrienden om je heen. Die je mailen, hier of helemaal uit Polen. Of alles kits is met je. Die je schrijven en bellen, je hun angsten en nachtmeries kwijt willen. Die al hoopvol uitzien naar, maar tegelijk toch beginnen te vrezen voor de eeuwenoude Hermes-ommegang samen.

Klasgenoten die dit voorjaar gevierd zouden worden. Die zwaar geïnvesteerd hebben, nu hun zaak dicht weten. Vrienden waar je, afgesproken, naartoe zou rijden deze zomer. Naar hun mooie gîte in de zon. Naar hun vakantiehuis in de bergen. Naar hun verblijf aan zee.
Kinderen die je nu alleen nog vanop afstand zien kan. Op je smartphone. Kleinkinderen met sterretjes in en om de pretogen, ET-smoeltjes uit hun trukendoos.

Een lege goal in de tuin zonder aanstormende scorende Kevin De Bruyne. Een verlaten bal, week na week wachtend op knallers in het net. Een doel, maar zonder de ouwe Buffon tussen de palen. Verjaardagsfeestjes in conference call.

Buren die vanop voorgeschreven afstand dichter dan ooit tot mekaar komen. En hoe mooi het landschap hier toch is. Theaterprogrammatie die wordt onderbroken, boekvoorstellingen die zijn doorgeschoven, vernissages die worden afgebeld.

Tot na de hoogmoed.
Tot na de hebzucht.


We dachten dit,
we dachten dat
en we vielen
met zijn allen
in een zwart gat.

Maar het komt
allemaal goed
erna leven we
samen
zoals het moet
in liefde
en tederheid
en al wat er
echt toe doet.

Na de piek
wordt niemand
nog doodziek.


Dagboeknotities.

DE FIERTEL IN MIJN KOT



Om de mensen op te vrolijken, speelde de beiaardier van de Hermesbasiliek allemaal liedjes op aanvraag. Ik bestelde 'Van God los' van Stijn Meuris.
Het klonk als een vloek in de kerk die op bevel van het crisiscomité vastgetimmerd bleek. Het was op een Drievuldigheidszondag, de week na Sinksen.
De ommegang ging door. Dit ondanks de omstandigheden. Bedevaarders volgden het schrijn één na één in een lange file. Zoals bij de bakker: veilig op anderhalve meter van elkaar. Allemaal met zelf geknutselde pestneuzen op, als in een schilderij van Jeroen Bosch.

Elke stop op de Fiertelroute werd geschrapt, elk samenzijn gemeden: ook de traditionele taart in Wattripont. De twee oudste dragers, die zelf eerder dat jaar nog met de bellen naar de catacombe van Hermes in Rome waren getrokken ter erkenning van de bedevaart als UNESCO-wereldergoed, hadden een enorm draagstuk op paletten getimmerd van wel twaalf vierkante meter. Zo dat belders en dragers op veilige afstand van elkaar het schrijn torsen konden.

Aldus trokken dragers en bellenmannen van de Maatschappij met de relieken van Hermes door het onwezenlijk mooie doch lege landschap rond Ronse.
Het was geen zicht. Maar de traditie bleef overeind. Een Fiertel stel je niet uit. De Ommegang is geen Ronde van Vlaanderen. Dat zijn de Olympische Spelen niet.

Aan de Kraai werd het moeilijk. Te stijl en te eng. Er werd gevreesd voor kanteling der heilige knoken. Twaalf vierkante meter, dat is als een verplaatsbaar podium voor Marco Borsato in het Sportpaleis. Doch het lukte, met gekreun, geknars en geprevel.
Zelfs de vlucht voor de geuzen aan het Muziekbos bleef die dag als traditie gaaf en gered.

Evenals de afsluitende speech van de voorzitter der Dragers en Bellenmannen, op meer dan veilige afstand van mekaar, bovenop de Kruisberg aan de kapel van Eeuwig Durende Bijstand. Hij dankte zijn twee anciens vooraan in de file (waarvan de staart voorlopig nog in Rozenaken hing) voor het ronduit geniaal genoemd palettenwerkstuk.

Daarna trokken we tuupe maar apart terug naar de gesloten basiliek beneden in het dal. De beiaardier tokkelde 'Mien schuun Madleenekie' van Tavi bij wijze van afsluiter.

Wat een mens al niet droomt, lachte Borsato me nog na, bij het lastige ontwaken in mijn kot.

Nachtboeknotities.

05 maart 2020

DE CANON VAN RONSE



Stel dat je gevraagd wordt Nieuwe Ronsenaars uit pakweg Kortrijk, Antwerpen of Lierde een Snelcursus Ronse te geven, hoe begin je eraan? Best alle levende Ronsenaars schrappen, van je lijst bedoel ik. Neen, liefst geen levende wezens: anders krijg je gegarandeerd alle kabinetards, gesubsidieerde communicatiestrategen en andere trollen over je heen.


Hierna ten behoeve van ontdekkers en bezoekers mijn Canon van Ronse. Niet dat die je vlotter over de trottoirputten van de Aatstraat helpt of overeind houdt op de spekgladde tegels van de Stationstraat. Niet dat de binnenkant van de Square Mouroit voortaan niet langer misbruikt wordt als linke afsnij-voorrangssnelweg. Niet dat de bewoners van de verkeersvrije Oude Vrijheid morgen eindelijk hun internetbestelling besteld krijgen. Niet dat het zwaar vervoer het hart van Ronse geen verkeersinfarct meer bezorgt. Niet dat Ronse morgen geen labyrinth meer is vol TEC ophaalschoolbussen. Niet dat het Rooseveltkruispunt plots geen ontwarbaar kluwen meer is waar de ene op de andere wacht.
Toch is mijn boude verwachting dat zo’n Canon in tijden van vermeende eigen ‘identiteit’, ‘eechte Ronseniers’ en meer van die nostalgieke gezwollen gebakken lucht je desalniettemin verzoent met het al te vaak vermaledijde doch gaandeweg herboren prachtige Ronse. Een stad zoals er geen ander is.

1. De Fietoo.

De schuune crypte mei ‘t zootenboek. De Basilieke mei den deiken da noa promoverd ees tot recteur, ziene katekooster en ‘t klookenspui (bauven heur huufd wuiteverstoen). Troomoo & Floatsie. Ces Seigneurs de la Zielde . ’t Fietoocomitoat uilk mei ne groenen band op den boak. Den builder en de droegers van de Maatschappoae mei nen ruuen band oop den boak( da kaan pieken zeu).
’t Muziek van de Pompiers mei grute bierentoepen, soefoost.’t Schuun eerekie van de Fietoo bauven an den Bietoo. De Proceessie mei schune kliedsookies vaan vroeger. Amandus op Adidas van vandoege . De beivoerders mei bloeren oop heuren dieken tien. De zoumerkirmeesse ’s noeviest mei veetebolen.

2. De Boomoos.

Mootie, le président-fondateur des Bonmoss (ne dites jamais Bommels).
’t Boomoo Comitoat. De Kuinenk en zien Kuinengiene. De Boomoofieste. De Boomookies. De Zote Mondaag alliene vuir d’eechte Boomoos. De verbranden boomoo. Gien vierwirk moer ’n schunne bestroelenge bauven ’t staadhoas. ‘n VIP tente vuir de blauwe boeskies van Broekoo en Froessen.

3. De Pompiers vaan Ronse.

Wa zoe Ronse zoan zonder oes pompiers en heur grute spiete? Ha bon. Op de Fietoo. Tuus ’n serenadekie oof twee an den Bluten Pompier vuir de gesnuivoode Ronsenierst. Oos ‘t ieverst brandt. Oof ge zit mei weespen ien oa beede. Oof der liegt nen buum auver de Kroassies. Kuint zien daade heuren kalender kuupt. Oof ge goet moa huren mei de grute sireene.

4. De Champeeters vaan Ronse.

Ge ziet ze niet vel want t’ees noa minder blauw op stroete, ze zieten in Brussoo zonder censkies. Moer zeure zien oa geudegans ien close-up vaan ien heuren bureau duir de camera cachée onder de cornissie van den Taap. En schuune manieren hein manekie. Mei oa onnuuzo petarkies. Aaliest dade zeegt zoade zuive en d’abord ge wordt gefilmerd vaan oop heuren boak.

5. Hugerleucht.

De klinieke. Vroeger woeren de nonen doer boes. Eddy Merckx moost doer ale joeren zienen boekei goen ontvangen van Zeuster Receptie, oos ’t Criteirium noog toerkies rond den Hugerleucht droejdeget. Noa ees de Klinieke van Hugerleucht veere de gruutste fabrieke van Ronse, aachter dan ze wui iesties ’t Hospitoo gelikwiderd heen d’ulekoords. ’t Scheunste en beeste moederhoas van geu Vlonderen. Paast moer op dat noa zuive nie gelikwiderd wordt. Buuneklakers, paast doer vaan oop.

6. De schaulen.

Den Ecole Moyenne. ’t Collezei dan ze noa Campus hieten kweestie van ’t spui ‘n betsie op te bloezen vuir de concurrentie. In ’t collezei geluven ze noog ien god. In den école moyenne ees god jamerloak genoeft komen te goen. In de 'Campus' Glorieux muigde der van poazen wa daade der zuive vaan poast . In de Sancta Mààària waas ter vroeger vrie schuun vook vuir de zoeterdagoevend in de Koobe den bamba mei te droejen.

7. ’t Klie Moertsie.

Schuune gerestaurerd. Wui mei vel boote stienen. D’ouwe Kliene Kirke ees magnifiek. De Grute Kirke kaan van bienen ’n lekskie vierve beizegen. ’t Plaksoo komt geu loos. De Hoalege Rita valt oest oop oa huufd op begroevengen. Moer da komt alemoele ien uirder mei veete subsidies van ’t Vloms gouvernement. De kirkfabrieke van Andrei Beelenck mei zienen langen oerm vaan ien Ronse tot ien Rume ees doer mei beizeg.
De Memlinc wordt uuk gerestaurerd, zonder subsidies. En Uutvercoren goet uuk weire ne kier aupen. Mien tante Leene zoe hier verzeikerst niet meer bekenen. Hier vrindienen, de wiete en de zwarte Madame Carlie uuk niet en Madame Van Hassoolt van de Garage uuk niet en Fernand de factuir uuk niet en zien pronte blonte doochter op ’t bankskie in ’t parkskie zeikerst niet. (Geif moa nen bees. Vuir da’t te loet ees).

8. The streets of Ronse.

De Stauk, de Floréal, de Germinal, de Schuidekouter, de Spinstersstroete, de Grute Maroave, de Kliene Maroave, Cité Bara, de Kloape, ’t Schavoert, de Fietoomies, den Blauwen Stien, de Poeters, de Rue Muitse, de Kroassies, de Stienwieg op Uiseile, de Lange Hoege, de Kapeelekouter…Wietentaak. Schune. Mien herte wiepoot auver en ’t weire.

9. De Gruten Moerkt.

Kiekies, koes en geile ruzen en pijamats oat grute duzen. Dieke moosssoos, veesche vies. D’Harmonie zet stoelen boaten. Den Bourse en de Local goen noog nie sloaten wa zoen ze. Den obelisk zit zonder leucht. ’t Kloert ien Ronse. Nen nieven daag. ’t Ees moerkt ien Ronse.

10. Tavi.

Loet oes noa drumen vaan Ronse
aliest da komt en doer nie mier ees
Tuus oop oes twie uren schloepen
oes tuupe gieren zien en ’t za wui goen.


Schrijfstek
Dagboeknotities.

27 februari 2020

DE TWEE VAN KWAREMONT



Twee klasgenoten,
twee schatten
van mensen,
twee companen.

De ene, Jan Leenknegt , gevierd en geprezen kunstenaar die zijn broze glazen schoonheid bevrijdde uit de aloude glasramengotiek en mystiek. Vandaag pure schoonheid als meerwaarde voor zijn zelf gekozen adoptiestad Ronse.

De andere, Piet Willequet, succesvol landschapskunstenaar die zichzelf herschilderde tot inmiddels internationaal befaamd Sculptour- galerist en van de Kwaremont een must maakte om iets heel anders dan koers.

Verwondering voor kunst
in het sublieme droomlandschap
van onze gedeelde
jongensjaren samen daar.

Eind maart wordt Piet zeer terecht door Kluisbergen gelauwerd als Culturele Persoonlijkheid van het jaar.

Diepe buiging voor mijn twee getalenteerde klasgenootjes van Kwaremont.

'Schrijfstek'.
Dagboeknotities.

25 februari 2020

JAN LEENKNEGT



Kunst en kleur heeft hij van kindsbeen af in dat droomkopke van hem zitten, mijn minzame klasgenoot en 'nieuwe Ronsenaar' Jan Leenknegt, uit het Kwaremont van vader Michiel. Voor onze schoolmeester in het Sint-Antonius van Padua college kleurden wij met zijn allen hemeltergend saai en maar al te gedwee de tekenopdracht, een korenveld, zoals aangemaand netjes binnen de lijntjes van ons 'De Zaaier' schrift, de tong vlijtig in een punt. Niet zo voor Jan Leenknegt. Wat hij er speels mee deed, oogde totaal anders. Puur natuur, dan al uit de kunst. Al wisten we toen nog niet waarom.

De wind walsend
door dat korenveld,
puur natuur
als in een meesterwerk
van John Steinbeck
om het voor een
keer niét over Salinger
en diens Holden Caulfield
in het graan te hebben,
al zou je het voor minder.



Stonden wij daar schoon te blinken met onze voorspelbare stomme punten. De kwotering 'vuil' voor Jan daarentegen was - in de wereld van mensen met ook maar een beetje inleving en verbeelding - authentieke schoonheid die later ver van het bekrompen en verstarde schoolkader gelukkig helemaal vrij openbloeien zou tot ons aller genoegen.

Dat Jan Leenknegt
gaandeweg grenzen verleggend
zijn glaskunst wist te bevrijden
uit de eeuwenoude gevangenis
van gotiek en mystiek
vind ik zijn grootste verdienste
.

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

24 februari 2020

CHEMIN DES PENDUS



'Je dagen beginnen serieus te korten', hoor ik mijn boezemvriend decreteren tussen twee Spotify-dreunen door bij wijze van verjaardagfelicitatie. Alsof hij het heeft over mijn meerbeurtenkaart voor het zwembad, hoeveel baantjes ik nu nog (t)rekken kan.

Ik ben op wandel langs de nieuwe Kerkhofweg achter de volop gevierde basiliek van Hermes, kant dodenmonument. In de volksmond 'Den Bluten Pompier'. Vroeger lag hier een galgenveld, bloeddorstig van knoken voorzien door de genadeloze grootinquisiteur met zijn beulen. Brandstapel of strop. Ik zie het zo voor me.

La ballade
des pendus.
Frères humains
qui après nous vivez…

(Ik hou van een mondje 'beau langage'. Al was het maar om de radicale Vlaamse vrienden om me heen tijdig te voorzien van alweer een hap heilige verontwaardiging omtrent mijn schaamteloos geschrijf).

Kerkhofweg
Kerkhof weg

Bitter en bot
betoverden
zeloten de
zieken en
zotten
met god
en gebod
alle dolenden
en dwalenden
met belezing
besprenkeling
toorn, vlammen
en schavot.


'Chemin des pendus' had hier als nieuwe straatnaam anders mooi kunnen bijdragen tot het griezelgehalte van de crypte en de knoken die er spoken.

'Voor mijn dagelijke zonden vol genietingen en genot (geruisloos Toblerone en Nougatti uit de snoepkast ) wil een mens best branden in het Danteske vagevuur', zeg ik mijn maat.

Ik bevind me bij de gigantische Bellenman, bewonder er de vordering der werken, naast het Kapittel, Kerkfabriek de andere inquisitoire cenakels van Octopus Dei achter vlammend glas in lood.

'Het vagevuur hebben ze al lang afgeschaft'corrigeert hij me. 'Voortaan is het of de zevende hemel of de hel'.

Zie je wel, zeg ik hem: het middenveld moet er tegenwoordig overal van tussen. Alleen nog extremen.
'Denk daarom, meer nog dan weleer, aan je uitersten', gun ik hem het laatste woord. Als steeds tussen ons.

'Schrijfstek'.
Dagboeknotities.

03 februari 2020

HEILIGE HUISJES



De basiliek
luidt luid
klokken
en bellen

van mijn
ogen
vallen
de schellen

vrijheid
van mening
wil ik vieren

verketterd
vervloekt
verbrand
door blind
obscurantisme



van Hermes
zijn duivel
bezeten

zogezegd

van blasfemie
hekserij
tovenarij
beticht

aan het
galgenhuisje
opgeknoopt
in winters licht

fanatisme
extremisme
racisme
populisme
zelotisme

hier en elders




daarover
durven
doordenken

in tijden van
harteloosheid
haatpraat en
onverschilligheid

vol hoop en
daadkracht
in blijheid

het is een
mensenplicht

in het licht van
de eeuwigheid.

Ronse.
Oude Vrijheid.
02. 02.2020.


27 januari 2020

STEFAN HERTMANS EN DE DOOD

'Het is de verworvenheid van de humanistische filosofie dat we vandaag zelf kunnen bepalen waar de grens ligt - het moment waarop je je waardigheid verliest, wanneer het geen zin meer heeft.'

'Maar eigenlijk kun je niet spreken van je eigen dood: je kan er alleen over speculeren. Het moment van de dood ligt buiten ons: we zijn er domweg niet meer bij. Wij gaan voor het zingen de kerk uit.'

'Het is een bekende gedachte dat bij elke man die doodgaat een bibliotheek afbrandt.'

'Met de dood van iedere mens die dicht bij ons staat, sterft ook een deel van onszelf af: de persoon die je was in relatie tot die ander, verdwijnt.'

'Telkens als iets of iemand verdwijnt, beleef je een kleine doodservaring: dit komt niet terug. Het zijn oefeningen in eindigheid en afscheid.'

'Misschien schrijven we om die reden : om dingen vast te houden. Met elke zin die je neerschrijft , probeer je de tijd te rekken : je wil dat ervaringen langer duren dan in werkelijkheid.'

Stefan Hertmans (68) over 'het einde' in De Standaard der Letteren.

Scherp, subliem, levenswijs. Noblesse oblige.

'Ik denk niet dat de grote troost in onze laatste uren van het schrijven zal komen'.

'Naarmate ik ouder word, leef ik steeds meer in het moment: er is alleen maar dit nu'.

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

ASTRID STOCKMAN

Het stond in 'duzend steerekies' uit de technische toverdoos van Theater VTV te lezen dat we een supernova in de repititie hadden bij de prille muzikale opbouw van de Ronsese revue Tavi .

Vandaag wordt Astrid Stockman alom die sterrenhemel in geprezen als slimste sopraan ter wereld en bijna slimste mens.
Voor geen enkel voorgekauwd scenario te vangen, heerlijk vrij en blij veegde ze daar toen haar lippen, nog zonder rouge, aan de partituur die netjes voor haar klaar lag, speelde die helemaal uit het kopje, smeet er hier en daar wat noten tussen alsof ze er teveel in de vingers had zitten, tokkelde er op los als om haar speelgoesting te stillen en 'Stand by me' in een superieure dimensie te mikken, de hare.

Dit alles tot voortschrijdende verbazing van die andere Grote Prijs van Rome naast haar op het podium, de zelf hoog begaafde en begenadigde toetsenist Luc Delcoigne. Tegenover zoveel jeugdige nonchalance trok Teflon Luc vrijwel onmerkbaar de rechterneusvleugel op .

Drie meter naast hem leverde Astrid Stockman de muzikale touch af waarvan je als tekstschrijver van 'lietsies' alleen maar wild enthousiast worden kon, nokte dra weer af. Alsof ze de vlinder op haar schouder meer daglicht gunnen wou.
Astrid verdween naar Leuven. Dat we van haar nog zouden horen, dan niet met mayonaise van Devos-Lemmens, dat zeker.

In de media is ze dus vandaag niet meer weg te scrollen als Vlaanderens nieuwste bee vee. Dinsdag in premiere met 'Be my superstar', een opera over cyberpesten. On the road met de familievoorstelling Fidelio . Aan de slag met Stokman & Vos. In de weer met Innerwoud. Ze plukt wat voorbij komt en wat goed voelt, zegt ze pagina vullend in de krant. Ze leeft dag per dag. Soms, als er een project in het water valt of als ze administratief wordt vastgeknoopt, vraagt ze zich als slim mens af waar ze mee bezig is.

Als je het haar chauffeur bij Tavi's
Gevuigoode Mandolienen vraagt: met het wegschenken van pure schoonheid . Astrid ('Stridje') Stockman is voor geen andere Vlaamse canon te vatten dan die van haar klasse, haar niet te schatten talent en volharding. Bijna vergeet ik haar levensvrolijkheid. Mee van haar glazen doorkijkthuis vol zon aan de Klijpe of all places.

Schrijfstek.
Dagboeknotities.

15 januari 2020

WAT NIEMAND RONSE AFPAKT



Vijftig jaar schrijf ik over Ronse. Met hart en ziel. Toen blogs nieuw waren en ik door de lakeien van business en politiek geacht werd te dansen naar de pijpen van de macht, volgden mijn lezers in die inmiddels zelf verdampte printmedia me prompt naar mijn ovenverse blog.
Ze klikten er al die jaren samen in totaal meer dan 900.000 keer om te vernemen wat ik nu weer zo nodig kwijt moest. Nooit stopte ik me daarbij weg. Eén agendapunt dreef en drijft me.

Tuupe vuir Ronse,
elk vanuit zijn opinie,
niemand aan de kant.


Talloze Ronsese gekozenen heb ik in die afgelopen halve eeuw als waarnemer zien komen en gaan. Allen wilden ze het beste voor Ronse.
De ene maakte allicht correcte analyses, maar de antwoorden bleven steken in het drijfzand van meerderheid tegen oppositie. Anderen lieten hun portemonnee en hun eigen belangengroepen in en om kerk en tempel voorgaan op Ronse.

Nieuwkomers, eendagsvliegen, kometen: ik heb het hier allemaal gezien en gehad. Al die tijd bleven de kwalen van Ronse maar woekeren. Verpaupering, laagste inkomen, goedkoopste immo, gebrek aan ontsluiting, plundering van de nutsdiensten.

Populaire docu’s, uit op kijkcijfers en vette reclame-inkomsten, pikten liever het beeld op van een zogenaamde degoutante geweldcultuur dan dat van een Ronse op zijn mooist dat straalt en schittert in het dal.

Ronse. Gastvrij en openhartig. Verguisd niemandsland tussen Vlaanderen en Wallonië. Verwaarloosd door Brussel. Vastgezet in een wurgstatuut.
Duizend Ronsenaars stapten door de straten om fel te protesteren tegen dat opgefokt foute imago waarmee de Koningin der Vlaamse Ardennen van weleer werd opgezadeld.

Het luwde. Het geweld, die foute imagebuilding en het verzet ertegen. Het Marktje werd als een prachtige Oude Vrijheid in ere hersteld, verbouwd, gerestaureerd. De Oude Sint-Martens werd een unieke passage. De Sint-Hermes een basiliek met wondermooie crypte. Een Stadstuin, flatvernieuwing alom.

Er is hier zoveel moois in Ronse. Een schitterend brandweerkorps met vrijwilligers die hun leven op het spel zetten voor de ander. Uitstekend ziekenhuis. Een politiekorps dat in vaak riskante omstandigheden met al te krappe budgetten het beste geeft van zichzelf. Bloeiende culturele centra, florissant verenigingsleven, vrijwilligerswerk alom, goede doelen, beste bedoelingen.

Dàt Ronse, met ons allen samen bezongen door Tavi en zoveel duizend Ronsenaars, geblazen in mijn muilschuiverke, betokkeld door trekzakkrabers en gekweeld door kloevergieten, gedanst op dat simpel Bommelsdeuntje door duizenden bommels, de markt rond in een recordpolonaise, uitgedragen tot in Rome door twee eenvoudige Fiertelbellen, jaarlijks bejubeld en bewandeld in onze unieke Ommegang, dat lieve lezers van altijd, dat Ronse neemt niemand ons af.