12 september 2018

MIJN TUIN VAN HEDEN



JE AUTHENTIEKE ZELF IN DE VERSNIPPERING.

Gehersenspoeld door al het opgeklopt nieuws, de luchtbellen, het gedoe van aandachtstrekkers op de lijsten. De mooipraters van dienst met hun gratuite glimlach, hun egotripperige Thuis-imitatie. Eer je het goed in de gaten krijgt, surft je zogezegd authentieke zelf al vrolijk mee op de wolkjes van hun luchtbellen.

Vermalen zijn ze, al je ontgoochelingen om hun vroegere niet ingeloste beloftes. Vergeten zijn ze hun onderonsjes, geheime allianties, stilzwijgende voorakkoorden, uitschuivers, flagrante belangenvermenging, schaamteloze cumulaties. Je gaat gretig voor hun sterke verhaal. Je voelt je stoer samen met hen. Je bent toch zoveel beter en sterker en slimmer dan de rest? Je wil erbij horen. Bij de winners van het moment. De peilingen geven vooruitgang.

Falen staat niet in hun programma. Je dimt je eigen mislukkingen op de achtergrond. Pech en tegenslag? Dat is toch iets voor softies die het zichzelf aandoen? Eigen schuld, dikke bult.

Je luistert niet naar die witte kielen van biowetenschappers die je zouden kunnen bewijzen hoe je in dat stemhokje al je eigen veel minder prettige gevoelens van na de vorige verkiezingen allang weer vergeten bent. Al hun opgeklopt gepolariseer, al hun verkapte en openlijke haat tegenover de medemens, al hun vanuit partijcenakels gestuurde en voorgekauwde mantra’s.

Hooguit herinner je je vagelijk een of andere quote die wat langer is blijven nazinderen.

Iets met zogenaamd
geradicaliseerde kleuters…
…nee het was die keer nièt
aan de universiteit van Gent.


Toch laat je je gewillig meesleuren door hun nette gestroomlijnde campagnes vol opgepept goed nieuws.

Maar zie. In de dagen voor de stembus lig je toch wel met hoge koorts in bed zeker? Word je hard geconfronteerd met de broosheid van je eigen menselijk bestaan en hoe belangrijk betaalbare zorgverstrekking is. Zelfs voor de sterksten van je kaliber. De verkiezingsroes die je smartphone de afgelopen weken deed opveren van overmoed, wijkt voor de koorts in je lijf die je velt en onder de wol houdt.

In het stembushokje botst hun stoere sterke verhaal op je nog broze herstel. Verwijs je al hun voorgekauwde krachtpatserij naar de prullenmand, wrijf je je bronchiën in met Vicks, neem je het zekere voor het onzekere en ga je voor verbondenheid.

In de toekomst zullen zoekmachines als Google je door dergelijke kantelmomenten heen loodsen en je stemgedrag beginselvast over je wankelbare stemhokgedrag heen sturen: gesterkt door de almachtige algoritmefilter die je authentieke zelf beter zal kennen dan …je authentieke zelf.

Het Facebookalgoritme analyseert al je duimpjes, je filmpjes. Morgen voorspelt het je eigen antwoorden op om het even welke levensvraag beter dan je familie, je vrienden zouden kunnen. Je oppermachtige algoritmefilter kent dan je meningen en wensen beter dan je eigen partner.

Naar voorkennis van je stemgedrag, dat van de twijfelaars van het laatste moment, de zwevende kiezers is het dan nog maar een stap. De algoritmefilter neemt het over. Je authentieke zelf is dan finaal versnipperd tot gebakken lucht.

Harari daarover : 'Zodra Google, Facebook en andere algoritmen alwetende orakels zijn geworden, kunnen ze best eens evolueren tot handelende instanties en uiteindelijk zelfs tot heersers'.

'Mijn Tuin van Heden'.
Dagboeknotities.

06 september 2018

MIJN TUIN VAN HEDEN

SCHILD & VERONTWAARDIGING.



Woede is wat onze wereld nu alom lijkt te drijven. Woede om wat de ander is en doet. Dag na dag worden we wereldwijd via de smartphone opgefokt om over iets boos te zijn, verontwaardigd, wrokkig, rancuneus.

Dag en nacht worden we meegesleurd in een danse macabre. Journaal na journaal worden we geconfronteerd met gruwel en beelden die onze boosheid aanwakkeren.

Een wereldwijde evolutie, ziet de Indiase auteur Pankaj Mishra (‘Tijd van woede’) daarin. In zijn razend interessante ‘Filosofie voor een weergaloos leven’ gaat Lammert Kamphuis te rade bij zowel eeuwenoude als hedendaagse denkers om achter die woede alom de weg naar onszelf terug te vinden.

Voor Peter Sloterdijk is woede een paraplu die een waaier van emoties dekt. Woede. Wraakzucht. Trots. Gedrevenheid. Kordaatheid. Eigenwaarde. Voor Sloterdijk komt het er vooral op aan om de positieve kanten van onze woede te benutten, de negatieve te neutraliseren. Sloterdijk mist in het westen de trotse vorm van woede. Een woede die boos wordt over het onrecht dat de mens en de hele natuur worden aangedaan.

Voor Aristoteles is het de kunst van je woede een soldaat te maken, in plaats van een generaal in je leger. Plutarchus heeft daar een heleboel tips voor: om je woede in toom te houden. Een van zijn meest markante is deze : zie hoe lelijk mensen zijn als ze boos zijn. Hij schrijft het lang voor schreeuwers als Hitler en Trump.

Plutarchus graaft overigens ook wel wat dieper naar de bron van woede, de oorzaak van boosheid. Meestal komt ze in je op wanneer je je miskend, genegeerd of veracht voelt. Hij raadt je aan om je in alle omstandigheden goed te realiseren dat je noch beter noch slechter bent dan een ander. Als je beseft dat je zelf fouten maakt, ben je milder in je oordeel over anderen. Het helpt ook als je je hoge verwachtingen in de anderen wat tempert.

Aristoteles en Plutarchus maken zich ondanks al hun wijsheden echter niet al teveel illusies: woede kan niet altijd overwonnen worden, hooguit getemperd.

Seneca vindt (in ‘Over woede) dat de woedeparaplu van emoties wèl helemaal dicht kan worden geklapt. Volgens hem is woede géén natuurlijke emotie. Veeleer komt ze voor uit wantrouwen. Vanuit dat wantrouwen ben je dan op je hoede voor iemands attitude.

‘Die groet me niet eens’.
‘Breekt ons gesprek af’.
‘Nodigt me niet eens uit…’
‘Praat vanuit een oude rancune’.
‘Roddelt, kletst, zevert’.
‘Heeft een dubbele agenda’.
‘Zegt nooit waar het op staat’.
‘Huilt mee met de wolven’.
‘Maalt voorgekauwde haatpraat af’.

Seneca vindt het beter mensen te benaderen vanuit vertrouwen en daardoor af en toe teleurgesteld te worden. Liever dan omgekeerd te vertrekken vanuit wantrouwen. Voor Seneca verdienen al die dingen hooguit een lach en een traan.

Mijn mama had Seneca niet gelezen. Zeker weten. Maar als weduwe met vijf kinderen zei ze in tijden van haat en nijd, laster en eerroof altijd: ‘Toujours sourire’.

Toujours sourire. Ik vond het later ook terug in het magistrale ‘Verdriet van België’ van Hugo Claus. ‘Toujours sourire’: recht uit de operette van het leven.

Ook Martha Nussbaum vindt dat (glim)lachen een uitstekende remedie tegen woede. Volgens Nussbaum worden we al als jongetjes opgevoed met de idee dat het stoer en macho is om boos te zijn. Door woede op deze manier tot iets natuurlijks te maken, blijft ze ingebakken aanwezig in onze cultuur. Voor Nussbaum is woede echter een totaal achterhaalde emotie. Woede ontstaat wanneer je vindt dat je onrecht is aangedaan, een emotie waaruit je dan verlangt naar wraak. Die wraakzucht is hierin essentieel.

Voor Nussbaum kan dat op twee manieren : door vergelding of vernedering. Beide opties vindt ze echter belachelijk. Alsof het pijnigen van iemand die een ander onrecht heeft aangedaan de balans in de wereld herstelt. Volgens haar is ook het verlangen naar vernedering immoreel. Als je gelooft dat onrecht al vergolden wordt door ons rechtssysteem, is woede een ronduit achterlijke emotie.

Nussbaum pleit dan ook voor wat ze ‘transitiewoede’ noemt: de hoogstaande woede die je vindt bij Nelson Mandela, Gandhi en Martin Luther King. Om van Simonne Veil nog te zwijgen. Ze worden niet gedreven door vergeldingsdrang, wel door een emotie die aanzet tot een toekomstgerichte samenwerking met diegenen die hen onrecht aandeden. Hun woede wordt aldus positieve verontwaardiging.

‘Mijn Tuin van Heden’.
Dagboeknotities.

27 augustus 2018

MIJN TUIN VAN HEDEN

SELFIE



Ons ondeelbare authentieke zelf is net zo echt als de eeuwige ziel, Sinterklaas en de Paashaas. Dat schrijft Harari in zijn ‘Kleine geschiedenis van de toekomst’. De auteur van de wereldwijde bestseller ‘Sapiens’ is hard bezig zichzelf te overtreffen in zijn magistrale ‘Homo Deus’.

Als ik diep in mezelf kijk, valt de schijnbare eenheid die ik als vanzelfsprekend beschouw uiteen in een kakofonie van tegenstrijdige stemmen waarvan er niet eentje mijn ware zelf is. Mensen zijn geen individuen. Mensen zijn dividuen.

Ons ervarende zelf is ons bewustzijn van moment tot moment. Het bovenhalen van onze herinneringen, het vertellen van onze verhalen en het nemen van onze grote beslissingen, het valt helemaal binnen het monopolie van een compleet andere instantie in ons binnenste: ons verhalende zelf. Dat is continu bezig verhalen op te dissen over ons verleden en plannen te maken voor de toekomst. Net als bij vermaledijde journalisten en polariserende politici neemt dat verhalende zelf altijd de snelste route, gebruikt het alleen piekmomenten en eindresultaten om er een verhaal van te maken.

Die verhalen van ons botsen bovendien op drie innerlijke monologen die elk vechten om dominantie. De maatschappelijke omstandigheden en hun vooroordelen om ons heen. Onze persoonlijke geschiedenis. Onze genetische erfenis. Allemaal construeren we ons eigen verhaal dat het merendeel van onze ervaringen weggooit, er een paar mooie uitpikt (al dan niet voor Instagram of Facebook), vermengd met stukjes film uit onze achtereenvolgende levens en favoriete dagdromen.

Uit die chaos weeft ons verhalende zelf een schijnbaar coherent verhaal dat verklaart wie we (denken te) zijn, waar we vandaan komen, waar we heen willen: als transmigranten van onze eigen identiteit. Een verhaal dat ons onderweg vertelt waar we moeten van houden. Wie we denken te moeten haten. Wat we met onszelf aan moeten. We hebben daarvoor allemaal ons eigen verhalend genre. Sommigen van ons gaan voor de tragedie, anderen kiezen voor het religieus drama, nog anderen voor de flitsende actiefilm. Niemand van ons ontsnapt aan het razend populaire genre van de komedie.

Bio-wetenschappers ondermijnen het plaatje van de zogenaamd vrije keuze en het oude geschil tussen de grotendeels geprogrammeerde mens van Aristoteles en de maakbare mens van Sartre. Ze reduceren de vrije keuze tot een fictief verhaaltje dat in elkaar wordt gebrouwen door dezelfde biochemische algoritmen die ons vandaag achtervolgen tot in onze smartphone via het algoritmisch voorgekauwd gekakel in de sociale media.

Elke seconde creëren biochemische mechanismen in onze hersenen een korte ervaring, die direct weer verdwijnt. Daarop volgen in ijltempo meer van die flitsen, die weer verdwijnen. Die kortstondige ervaringen vormen samen geen duurzame essentie.

Het door ons gemakshalve ingekort en zwaar ingekleurd verhalende zelf probeert hooguit wat orde in deze chaos aan te brengen door er een oneindig verhaal van te maken, waarin al onze ervaringen een plekje krijgen en we elke ervaring een zogenaamd blijvende betekenis geven.

Maar ons totaalverhaal is en blijft fictie. Als middeleeuwse kruisvaarders geloven we dat God de Vader in de hemel ons leven zin geeft en de eeuwige zaligheid via volle aflaten met heiligen en engelen op ons wacht. Als moderne liberalen geloven we dat individuele vrije keuzes van ons zijn, dat ze ons leven zin geven en dat wij maakbare mensen zijn. Dansend tussen oorzaak en gevolg, noodzaak en toeval. Surfend op de biochemische processen langs de afgrond van ons eigen erfelijk uitgeplooid genoomplaatje…

De twijfel aan het bestaan van onze vrije wil en aan ons individualisme is niet nieuw. Tweeduizendvijfhonderd jaar geleden al opperden denkers in India, China en Griekenland dat ons individuele zelf een grote illusie is. Maar dat soort twijfels verandert onze survival of the fittest en struggle for life niet echt als ze geen direct praktische impact hebben op economie, politiek en dagelijks bestaan.
Want vooral zijn we met zijn allen meesters in cognitieve dissonantie. In het laboratorium geloven we het ene, in rechtszaal en parlement zeggen we het helemaal anders. Wachtend op de trage omwenteling van elke paradigmashift (de aarde is plat, nee ze is rond). Net zo min als het christendom verdwijnt op de dag dat Darwin 'Over het ontstaan der soorten' publiceert, verdwijnt het geloof in een eigen identiteit omdat wetenschappers er achter komen dat het vrije individu niet echt bestaat.

Waarom wil Eva de verboden vrucht die de slang haar aanbiedt? Hoe komt ze erbij? Ze zit toch al in de tuin van Eden? Ze heeft toch al alles? Alles? Waarom de geheimen van de boom der kennis dan niet? Kiest ze er zelf voor, uit eigen ‘vrije’ wil? Zonder enige persoonlijke voorgeschiedenis. Zonder genetische voorgeschiedenis. Zonder maatschappelijke omstandigheden? Door wie is dit doemscenario voorgeschreven? En als ze er niet uit vrije wil voor kiest, waarom moet ze er dan voor gestraft worden? Waarom krijgt zij als vrouw de schuld toegespeeld? Door welke machoscenarist?

Voor zo’n simpele vragen vlieg ik in de retorica naar mijn chambrette, tijdens de collegeretraite bij de paters van Strijpen. Het begin van mijn persoonlijke transmigratie. Mijn maatschappelijke omstandigheden zijn dan nog redelijk burgerlijk bekrompen. Mijn genetisch verhaal ontrolt zich met het onrustwekkend val-hier-nu-zomaar-sebiet-dood scenario van mijn verwekker. Mijn persoonlijke geschiedenis is een leven zonder vaderfiguur. Mijn eigen verhaal begint met een natte kus, onder het zeil op de rups van de kermis.

‘Mijn Tuin van Heden’. Dagboeknotities.
(Illustratie: 'Zonneman'. Apotheose. Theater VTV.)

20 augustus 2018

SLAAP ZACHT RONSE



In '68 schreef ik mijn eerste columns over Ronse voor De Ronsenaar. Ik was achttien en had de schrijfmicrobe al een tijdje te pakken. Na mijn overstap naar de Weekbladgroep AZ volgden er 750 Pluspunten voor Weekblad Plus. Erna schreef ik - onder de schuilnaam Walter Ego - voor Passe-Partout (inmiddels alweer verveld tot Rondom). Dat duurde daar zo lang het nog vrijgevochten kon van de nieuwe papiermarchands die zich maar al te gewillig lieten lijmen door de lokale lichtgewichten van het moment. Gloriërend in de commerciële schemerzone tussen hun lokale businessclubs en de petite politique politicienne. Aan hun betuttelende bemoeienissen dank ik de opstart van mijn eigen onafhankelijke ‘blog’ en de domeinnaam www.stefvancaeneghem.be die u sindsdien zo’n 900.000 keren aanklikte.

Een halve eeuw heb ik mijn geschrijf over Ronse volgehouden. Bovenop mijn werk als beroepsjournalist in Brussel, Gent en Groot-Bijgaarden. Bovenop mijn publicaties als auteur van romans, een TV-filmscenario (‘De Schietspoeldynastie’), theaterstukken en een honderdtal liedjesteksten voor De Gevuigoode Mandolienen.

Mooi weer op zondag of niet. Vaak was het nachtwerk. Met vallen en opstaan. Met missers en voltreffers. Met uitschuivers en soms - heel verrassend - schoonmenselijke meerwaarde er zomaar bovenop cadeau. Neem mijn laatste gesprek, op zijn verzoek, met de stervende dokter senator Emile Cuvelier een paar uren voor zijn overlijden. Hoe mooi die man daar toen op zijn sterfbed aan de Steenbrugge over Ronse sprak. Zoiets vergeet je nooit. Het overstijgt elk meningsverschil.

Vandaag laat ik deze eindeloze petite histoire van Ronse en al het geneuzel in de marge over aan diegenen die vanuit hun partijcenakels de sociale media overspoelen met hun politieke egotrips, hun opgeklopte hoeraverhalen, hun haatpraat, hun al te voorspelbare mantra’s, hun tot Fakebook-waarheid verheven toogpraat, hun polariserende posts waarin de ene Ronsenaar tegen de andere wordt uitgespeeld tot meerdere eer en glorie van het door hen beoogde mandaat en hun navenante vette bestuurszitjes.

Natuurlijk blijf ik verder net als eenieder via mijn Facebookpagina en de andere kanalen die me na vijftig jaar schrijven over Ronse ter beschikking staan vrank en vrij mijn mening ventileren waar het er om gaat elke vorm van haatdragend obscurantisme lik op stuk te tikken. Want Ronse opgeven: nooit. Daarvoor is deze stad me te dierbaar, vijf generaties diep in verleden en toekomst.

Op deze webstek hier zet ik evenwel een punt achter mijn standpunten over Ronse. Ik wil me voor de tijd die me nog gegeven is volkomen en honderd percent kunnen concentreren op mijn schrijfplannen. Ik doe dat op een moment dat Ronse de meeste van zijn onderliggende diensten al kwijt is gespeeld aan onze vrolijk fusionerende netwerkende buren aan beide kanten van de taalgrens.

Ronse blijft immers gegijzeld door het ‘bijzonder taalstatuut’ dat Brussel ons opdringt. Ronse is op sterven na dood als kantonnale hoofdplaats, na het opdoeken van het Vredegerecht. 'Het sous l’arbre' jagen van de Ronsenaars betekent zoveel als: de boom in.

Veel meer dan een taalkwestie is deze trage wurgende doelbewuste insluiting en vernieling van Ronse vooral een grove grondwettelijke onrechtvaardigheid. Alle Belgen zijn gelijk voor de wet, behalve de Ronsenaars. Die moeten tegelijk meer betalen om minder te mogen dan de buren. Fusioneren bijvoorbeeld.

Aan de nieuwe generatie gekozenen van Ronse – van welke democratische partij ook – om een keer en voor goed de grondwettelijke kerker waarin Ronse al zestig jaar opgesloten ligt, open te breken.

De beste bestuursmeerderheid voor Ronse zal na 14 oktober maar net goed genoeg zijn om de gigantische achterstand na 60 jaar achteruitstelling van Ronse bij te benen.

Ik ben geen taalextremist, ik zal het nooit zijn en ik ontzeg eenieder het recht me enige vorm van fanatisme aan te wrijven. Als ik iets fanatiek moet zijn, dan nog het liefst een chauvinistisch Ronsenaar.

Het bijzonder statuut van Ronse is tegelijk een politieke hinderlaag én een maatschappelijke valstrik. Dit zowel voor de hidden agenda’s onder het sluimerend taalfanatisme aan beide kanten van de taalgrens, als voor de verdoken elitaire switch die eronder zit en er nu in ijltempo zit aan te komen vanuit het oude Ronsese bourgeoisfranskiljonisme naar het elitaire bekrompen bourgeoisflamingantisme dat zo graag dweept met de ‘oude waarden’ en een opgefokt identitair verhaal bezigt als verpakking voor het 'ikke beter dan die andere'.

Het openbreken van het bijzonder taalstatuut van Ronse zal Ronse de boost geven die onze geliefde stad bij wijze van schadeclaim – liefst met aanvoer van vele miljoenen euro - als tekort gedane Vlaamse stad toekomt. Gebeurt het niet, dan verdwijnt 9600 gewoon van de landkaart. Verschrompeld, verdampt, wegkwijnend en tenslotte verdwijnend in de grote fusiegolf van gemeenten om ons heen.

Op naar mijn 'Tuin van Heden'.

Voortaan vindt u hier dus exclusief mijn eerder geparkeerde verhalen (incluis mijn nieuwste theatertekst ‘Gouden Bruiloft’ die ik bij deze graag opdraag aan het Ronsese theaterleven dat me al zoveel genoegen heeft geschonken. Van 'De Schietspoeldynastie' en 'Madame Valentine' tot 'De Gok van Hermes' en 'Zonneman'.

En dan wacht ons
nog een mirakel
op 'Wittentak'.


U heeft hier voortaan van mij nu en dan ook nog een van mijn ‘Briefgeheimen’ te goed. Maar vooral keer ik bij deze en voor altijd terug naar het pure schrijfgenoegen van altijd: met mijn dagboeknotities die ik hier bij leven en welzijn de komende jaren verzamelen ga in mijn ‘Tuin van Heden’.

Kroniek van Ronse
1968-2018.
Au revoir en merci.


Tuupe Tavi
wette't noog?
Joa'k Kari:
Tuupe vuir Ronse
zu simpoo da t'ees.

18 mei 2018

ETRANGE DE VIE



‘Ta coupe de cheveux on dirait Poil de Carotte’ me lance Nono d'un regard fait pour m'achever. La Peugeot 203, grise comme le ciel qui s'échappe au-dessus de moi par le minuscule rectangle du toit ouvrant, s’enfonce à la Jacky Ickx dans les ruelles de La Trinité. Le regard des autres. Jules Renard, tu ne connais pas je parie? Non. J’en suis toujours à Marie Chapdelaine avec ses interminables veillées dans les chaumières Canadiennes. Et Le Grand Meaulnes qui me casse les coucougnettes. Je vous parle d’un temps que Coeur de Pirate ne peut pas connaître. Nono m’observe. Visiblement très satisfait de l'effet que sa trouvaille provoque. Mon désarroi, ma déconfiture ont tout pour lui plaire. Le malheur d’un con fait toujours plaisir à voir.

Je pique un girophare à l’arrière de la Peugeot. Il s’en tape éperdument, Nono. Il me considère comme ce rabat-joie venu du plat pays qui ne sera jamais le sien. Tout juste la terre conquise par les sans-culottes à se farcir le temps des vacances de Pâques. Un peu comme les chocolats de l'entracte. A lui les Parisiennes juteuses en Solex. Genre Janique Aimée.

Il me laisse les béguinages d’un ciel Flamand si bas qu’un autre écorché vif que moi s’y est presque pendu, avant d'aller grater la guitare au Lapin Agile. Toutes ces choses de la vie, je viens les découvrir ici par tout ce que Nono voudra bien m’en dévoiler. Lui qui connaît si bien les divas du Golfe Drouot. La vie qui commence à la Madeleine, s'envole vers Aigues Mortes ou Deauville chababadabada et se tue finalement dans les vagues du temps perdu de trop de tout. Lui Nono, qui sait tout sur le zizi, même celui du pape.

‘Poil de Carotte, moi?’ C’est ma tante Nini avec son tendre sourire éternel, qui m’a rasé la boule à zéro. Question de déclarer une fois pour toutes la querre totale aux puces qui hantent nos collèges et patronages. Nono est alors mon heros personnel. Il sait tout ce que moi, le moins que rien entre les petits riens réunis du Padre Pio, j’ignore encore.

‘Comment ils ont fait pour nous faire nos vieux, tu le sais ça au moins?' La bête à deux dos? Tu les vois faire ça?'

Queue basse je capte tout en vrac. La chaude pisse des artistes de Pigalle. La folie de Guy de Maupassant. Bel Ami à quatre pattes. Flaubert et son complice Théophile Gaultier chez les sirènes d'Alexandrie. Tropiques du Cancre, mon Nono. Je l’écoute des heures durant. Docile comme un chien perdu sans papa. Vu que mon géniteur a eu l’envie pressante de me concevoir (déjà le mot con en germe) très date limite. Juste avant de disparaître comme un voleur de destin (le mien) dans la nuit étoilée. Selon les dires des bonnes Soeurs de la Miséricorde 'pour y préparer d’avance ma place tout près de lui au paradis de mes fantômes'. Quant à Nono: la vie lui fait visiblement le plein de cadeaux. Blazer bleu nuit. Noeud papillon avec ou sans Bécaud. Pantalon au pli parfait. Le tout à mettre Yves Saint-Laurent sur le cul, façon d’écrire. Le vent est au rire. Le vent est au blé. Six décennies plus près des étoiles je m’interroge. Nono je l’ai perdu de vue depuis belle lurette. En scribrouillant les dernières tranches de cette étrange de vie je pense à lui. A tout ce beau petit monde enseveli.

J’en vois qui
revendiquent et
qui protestent.

moi je ne demande rien
ni à la lune
ni aux diseuses
de bonne fortune.

je ne fais qu’un seul geste
le peu temps qui me reste

j’écris de jour
j'écris de nuit

tout en écoutant
du dehors l'incessant
tapage de l'éphémère
de la futilité
des rires, des cris
et des bruits.


Je me trempe la plume à l’encre
de l’imagination d’une autre vie.
dans laquelle tout le monde
il est beau et
tout le monde il est gentil.

‘ETRANGE DE VIE'.
Extrait de ma 'French Collection'.

26 april 2018

VRIJBLIJVEND

WELKE LADING
ONDER WELKE VLAG?

VAN NATIONALISME
VERBONDENHEID
VERBEELDING &
ONWRIKBARE HOOP




Doorgeschoten tolerantie. Sociale onverschilligheid. Teloorgang van burgerlijk fatsoen. Verruwing van de samenleving op straat, in het verkeer, in sportclubs, op speelpleinen, op de schoolkoer, erosie van de normen, minachting voor elke vorm van gezag. Alle morele zwakten van onze huidige samenleving zouden dus hun wortels hebben in de late sixties. Dit alles zou toen zijn opgeofferd aan ongebreidelde vrijheidsdrang.

'Ik kan mij niet anders herinneren dan dat 1968, het jaar dat de verbeelding de macht probeerde te grijpen en de jaren die erop volgden in een kwaad daglicht worden gesteld', schrijft Femke Halsema in haar essay voor De Maand van de Filosofie. De verbeelding die toen van onder de kasseien kwam open bloeien, kan volgens haar echter beter worden gedefinieerd door Richard Rorty:

'Vooruitgang wordt afgemeten aan de mate waarin we onszelf verbeteren. Het antwoord op de vraag wanneer we ons als gemeenschap en als leden ervan verbeteren, is als we onszelf en elkaar - en vooral de meest kwetsbaren onder ons – beter weten te vrijwaren van vernedering'.

Femke Halsema: 'Progressiviteit is een diffuus, verwarrend begrip dat vaak meer zegt over degene die het gebruikt dan over de maatschappelijke en politieke stroming die het poogt samen te vatten. Ik definieer progressief niet enkel als verandering- of hervormingsgezind. In dit geval is het een lege, richtingloze term die zowel het neoliberalisme van Reagan als de sociale hervormingsbeweging van Bernie Sanders kan omvatten. Progressiviteit is noch een politiek doel, noch een partijpolitieke slogan. Het is een geestesgesteldheid, een onophoudelijk en hoopvol streven naar een rechtvaardiger, eerlijker en open samenleving, in het besef dat deze zich nooit volledig zal verwezenlijken.

Progressieve politici die zich buiten de discussie over de nationale identiteit plaatsen of deze als conservatief en eng-nationalistisch terzijde schuiven, doen zichzelf tekort. Zij zijn de dragers van een traditie die aandacht, verdediging en waardering verdient.

Door de weerzin tegen nationalisme kan de collectieve herinnering verarmen en kunnen er belangrijke delen uit verdwijnen of er alleen als karikatuur in voortleven. Rorty merkt niet voor niks op dat een betekenisvolle discussie over de toekomst van de samenleving alleen kan plaatsvinden als er een zeker nationaal bewustzijn is'.

For Sale: Alaska

In 1983 publiceert de Amerikaanse antropoloog en politicoloog Benedict Anderson ‘Imagined Communities. Reflections on the Origin an Spread of Nationalism’. Een nationale identiteit is volgens Anderson een sociaal bouwwerk, een ‘verbeelde gemeenschap’ die mensen op de schaal van een natie in staat stelt zich met elkaar verbonden te voelen. Dwars door grote klasse verschillen en sociale tegenstellingen heen kan daardoor een diepe en gelijkwaardige kameraadschap ontstaan. Een natie is in de definitie van Anderson vooral een begrensde en soevereine politieke gemeenschap die in de loop der jaren van vorm kan veranderen, waardoor er nieuwe naties kunnen ontstaan en oude kunnen verloren gaan.

In 1994 beschrijft Anderson hoe de Amerikanen Alaska in 1867 kochten van de Russische tsaar, hoe het sindsdien onvervreemdbaar deel is van de Verenigde Staten. Omgekeerd heeft de dekolonisatie (van bv ‘Belgisch-Kongo’) geleid tot bijstelling van de nationale identiteit: zowel in de voormalige koloniën als bij de kolonisator.

Vanzelfsprekend erkent Anderson het gevaar van nationalisme. Maar dat komt volgens hem door de verwarring tussen nationaliteit en etniciteit.

De oude Europese naties zijn nooit zo gesloten geweest als tegenwoordig. Nu pas doet zich het verschijnsel voor dat men bijvoorbeeld denkt dat ‘Britsheid’ iets te maken heeft met het bloed in plaats van met de cultuur. Dat is voor Halsema geen nationalisme maar domweg racisme. Het is het geforceerd laten samenvallen van de nationale identiteit met een etnische identiteit.

Voor Femke Halsema ligt het belang van het werk van Anderson in twee centrale elementen van zijn redenering. Nationale identiteit is een product van de verbeelding. Niet in de zin dat ze ingebeeld is of onecht, maar dat zij geconstrueerd wordt in gezamenlijk bewaarde, herinneringen, verhalen die telkens opnieuw worden verteld waar grote culturele betekenis aan wordt toegedicht en in nieuwe ‘tradities’ (bijvoorbeeld Sinterklaas vanaf de negentiende eeuw).

Ten tweede is nationalisme, anders dan meestal wordt verondersteld, niet per se een conservatief of reactionair verschijnsel. Anderson vindt dit een kostbare vergissing: 'In ons tijdperk is het gebruikelijk voor progressieve kosmopolitische intellectuelen om het nationalisme te associëren met een bijna pathologisch karakter, wortels in angst en haat jegens de Ander, en een verbondenheid met racisme. Het is nuttig onszelf eraan te herinneren dat naties ook tot liefde en zelfopoffering inspireren. De culturele producten van nationalisme – poëzie, proza, muziek en beeldende kunst – laten deze liefde heel duidelijk in duizend verschillende vormen en stijlen zien'.

(Wat is er mis met La Flandre Profonde en Belgetude als dwars doorheen de schone schijn en de burgerlijke beschetenheid de universele thema's van groeipijnen, verlangen, verlatenheid, verbondenheid, vrijheid, liefde, vriendschap, verraad, verzet, noodzaak en toeval belicht worden. Ik vraag het hier aan, als Vlaams - Belgisch auteur in de marge van mijn eigen snel weg tikkende tijd-svc).

Nationalisme is voor Femke Halsema - beter heet het patriottisme of vaderlandsliefde - wel degelijk verenigbaar met progressieve waarden als openheid, tolerantie of kosmopolitisme. Het vermogen om de vreemdeling welkom te heten, kan juist een belangrijk deel van de nationale identiteit zijn. Of zoals verzetsstrijder, dichter en medeoprichter van Vrij Nederland H.M. van Randwijk het schrijft in zijn Manifest uit 1947 (tegen de politionele acties in Indonesië):

‘Mijn volk wortelt niet in de duistere driften van bloed en bodem, maar in een erkenning van normatieve zedelijke beginselen. Die wil ik toegepast zien en daarom wijs ik een koloniale oorlog af.’

The powers that be



In zijn column voor De Standaard heeft Paul Goossens (In ‘De dictatuur van het nieuwe normaal’) zo zijn bedenkingen bij die opgefokte hedendaagse ‘identiteitsclash’.

Paul Goossens: 'Je kunt er moeilijk omheen dat de ‘cultuuroorlog’ die het rechtse populisme al meer dan twintig jaar oppookt de wind in de zeilen heeft. Het is erin geslaagd om alles wat met identiteit te maken heeft tot staatszaak op te kloppen en er de publieke opinie voor te mobiliseren. En het valt op, omdat het debat steeds meer een symbolenstrijd wordt die steeds minder ruimte laat voor rationele argumenten, dat verruwt de discussie.'

Essentieel hierbij is voor de legendarische studentenleider de thematische shift: weg van de sociaal-economische tegenstellingen, prioriteit voor de identitaire confrontatie.

'Omdat ze geobsedeerd is door de mythe van het ene volk en de homogene natie wordt sociaal-economische ongelijkheid onder het tapijt geveegd en de culturele ongelijkheid volop in de verf gezet en systematisch bestreden. Vandaar de allergie voor het afwijkend gedachtegoed, zeker als het van minderheden komt.'

En, in zijn essay over 1968 Het jaar dat niet wil sterven' (een warme aanrader): 'Na nine eleven kreeg het Westen er een nieuwe vijand en een nieuwe oorlog bij: de war on terror tegen de politieke islam. Veel conservatieven zagen het nog ruimer: Een oorlog tegen de islam tout court. Omdat de islam nu de westerse vijand nummer één werd, was de conservatieve kerk aan een ideologische update toe.

Twee eeuwen lang was ze een uiterst koele minnaar van de verlichting, met de moslim in de buurt werd een koerscorrectie onvermijdelijk. De verlichting werd tot een aanvalswapen tegen de islam omgebouwd. Niet de hele verlichting natuurlijk, wel een verlichting op maat van de bange, witte conservatief. Een verlichting kortom, met minimale aandacht voor het watermerk bij uitstek van de verlichting, gelijkheid. Door de sixties als schietschijf te behouden, konden enkele fundamenten van de verlichting worden getroffen. Gelijkheid natuurlijk, maar evengoed dat andere watermerk van ’68, de anti-autoritaire reflex, die altijd de proloog van het kritisch denken en van de emancipatie is. Elk ongebonden denken en emancipatorisch proces begint tenslotte met een afwijzing van de praatjes en weetjes, de normen en privileges van the powers that be.’

Impressies & Percepties

‘Macht en Verbeelding’. Femke Halsema.
‘1968. Het jaar dat niet wil sterven’. Paul Goossens. Epo.
‘Nationalisme’. Joep Leerssen. Amsterdam University Press. Elementaire Deeltjes.


Illustraties: Cover van mijn romanbundel bij Manteau 'Belgetude' .
'Eenzelvigheids'kaart van mijn grootvader Rémy, een eeuw geleden afgeleverd in Ronse (via Kwaremont afkomstig van Wortegem, eigenlijk van Kanegem enz).

26 februari 2018

SELECTIEF GEHEUGEN

HUGO CLAUS
IN DE VERGETELHEID?

SUITE FLAMANDE...



Naar aanleiding van de Claus-expo's in Brussel en Antwerpen wordt in de krantenbijlagen gesuggereerd dat Hugo Claus nog geen tien jaar na zijn dood (op 19 maart 2008) al een onbekende is op school, werk van hem schaars op de rekken. Marc Didden, curator van de Claus-expo ‘Con Amore’ in Bozar werd zelf door Claus op ons netvlies vereeuwigd als Gigi op de motor, schitterend in ‘Het Sacrament’, de filmbewerking van ‘Omtrent Deedee’. Didden, zelf maker van het incontournable ‘Brussels by night’ gaf Thomas, de oudste zoon van Claus nog les als docent in Sint-Lucas Brussel. Didden heeft zijn ex-leerling nu gevraagd of hij nog iets van zijn vader had dat hij kon bijdragen? Neen dus. Thomas is de zoon van Claus met Elly Overzier uit de periode toen de schrijver met de Nederlandse actrice in Nukerke woonde. Het koppel woonde hier in een vierkantshoeve onderaan Tenhole, een tijdlang bewoond door Paul Béatse (de auteur van de lokale familiesaga ‘De Bé’s) en nog niet zo lang doorverkocht als 'de woning van Hugo Claus' vermelding in De Standaard incluis.

Thomas zelf woont tegenwoordig hier in Ronse. Een beminnelijk en bescheiden mens die nooit en nergens zelf uitpakt met zijn beroemde pa en oude meubelen opknapt aan ‘De Rode Mutse’. Het sleutelverhaal dat hij na diens dood zelf over zijn vader schreef werd door de zelfverklaarde valse pausjes van de literaire kritiek zoniet doodgezwegen dan wel compleet gekraakt en vermaald als zaagsel in de harde vernieling. De rechtmatige onderliggende postume kreet van Thomas om vaderliefde werd daarbij toen straal genegeerd.

Nu na, tien jaar later, krijgt Thomas eindelijk het begrip dat hem toen flagrant ontzegd werd door de literaire mandarijnen van dienst. En dat begrip komt niet van om het even wie. Hilde Van Mieghem, curator van de Antwerpse Claus-expo ‘Achter vele Maskers’ in De Morgen dit weekend : ‘De relatie tussen Hugo en zijn zonen was heel getroebleerd. Ik denk dat Thomas erg geleden heeft onder het gemis van zijn vader. Hugo was geen vader, hij schrijft dat ook in een van zijn dagboeken. Die vrouwen (Elly Overzier, mama van Thomas en Sylvia Kristel, mama van Arthur- svc.) wilden een kind, en hij heeft hun dat gegeven, maar van in het begin maakt hij duidelijk dat zijn werk voor alles zou gaan. Zoals dat bij zoveel kunstenaars het geval is.’ Voila c’est écrit et c’est dit. Een vader missen, dàt ken ik als levenslange vaderloze. Daar bekom je nooit van.

Naar aanleiding van zijn dichterlijke tour Suite Flamande streek Hugo Claus met zijn hele gezelschap ooit neer in het huis van ere-burgemeester van Ronse Orphale Crucke aan de Ommeganck. Het gezelschap: Veerle Dewit, Guido Lauwaert organisator en heerlijk woelwater, dichter Remco Campert, kunstenaar en schrijver Pjeroo Roobjee (de papa van Merel De Vilder beiden woonachtig alhier), Simon Korteweg de toenmalige uitgever van De Morgen. Hugo Claus was toen de alom gevierde Prins der Letteren. Pjeroo kreeg as usual eenieder aan de slappe lach met één van zijn onvergetelijke geïmproviseerde hilarante eindeloos uitwaaierende tafelspeeches. Onder tafel dus. Al kan het bij Campert ook van die ene borrel teveel geweest zijn, tegen het ochtendgloren.

Maar zie alles gaat dus voorbij. Wat blijft er over na het 'Feest zonder einde'? In de ‘Kunst van het ouder worden’ schrijft de Amerikaanse Sandra Lee Bartky over het vergaan van netwerken.

‘Gaandeweg gaan de oorspronkelijke leden van ons netwerk dood of met pensioen. Dan verdwijnt ons circuit of netwerk, of richt het zich op andere onderwerpen. Er sluiten zich jonge mensen bij aan die de organisatie een richting uit willen sturen waar wij het misschien niet mee eens zijn’. De oude strijdbaarheid lijkt te verdwijnen, ook als de problemen die ons strijdbaar maakten nog niet zijn opgelost'.

Zeer herkenbaar voor wie de ravages van dat selectief geheugenverlies in eigen kring en alom capteert. VRT-legende Karel Hemmerechts (de hoogst erudiete papa van Kristien) vertelde me in een interview daaromtrent ooit hoezeer hij onder de indruk was van de filosoof Romano Guardini (auteur van ‘Tijdperken des levens’).

Romano Guardini: ‘Uit dat gevoel van vergankelijkheid, komt ook iets voort dat op zichzelf positief is, namelijk de steeds duidelijker bewustwording van datgene wat niet vergaat, wat eeuwig is. In die mate waarin een mens innerlijke overwinningen behaalt, wordt hij transparant voor de zin der dingen. Niet doordat hij actief wordt, maar door wat hij uitstraalt’.

Geldt compleet voor Claus tien jaar later. Hugo Claus mag dan nog - vijf jaar voor zijn zelf gekozen ‘uitstap’ - in volle glorie getackeld zijn door de eindigheid van het volle leven als hij tijdens de tournee van Saint-Amour in Leuven zijn eigen gedichten niet meer voorgelezen krijgt en van het podium stapt. Op dat moment is zijn oeuvre al geschreven : onomkeerbaar grandioos en groots.

Zo oneindig veel meer
dan dat ene gedichtje
gefluisterd
op het kussen
in het oor van
je geliefde.


Dat leraren er ook maar aan denken hem uit het collectief geheugen te verbannen zegt meer over Het Verdriet van Vlaanderen en de ondraaglijke lichtheid van diegenen die hem zeggen te willen verbannen dan over de banneling zelf .

Leve Hugo Claus in onze diepste Verwondering.

‘Selectief Geheugen’. Digitaal dagboek.
Illustratie: met Claus en Spectator-collega Carlos Alleene op de set van ‘Vrijdag’ in Brussel.
Foto: Johan Vancaeneghem.

19 januari 2018

BRIEFGEHEIMEN

Zonde van Angèle.



Alle kommer komt doordat een mens niet zomaar eindeloos binnenkamers kan zitten niksen. Ten eerste omdat verveling hem dan uit de leeshoek jaagt. Ten tweede omdat hij dan rare gedachten krijgt omtrent thanatos en als de lente komt omtrent eros. Blaise Pascal constateerde het. Ignaas Devisch schrijft er zeer lezenswaardige boeken over. Ik denk eraan nu uw tachtigjarige uitgeverij bij wijze van postuum cadeau wordt opgezadeld met uw voornaam als imprint. Angèle.

‘Tja’ schrijft Peter Jacobs in de Standaard der Letteren, ‘er moest inderdaad iets gebeuren met het merk Manteau dat fataal ‘veraspt’ lijkt. Maar dat het fonds een allegaartje is geworden en niet meer de literaire glans van toen heeft, los je toch niet op met een naam? Moet Manteau daarvoor plaats ruimen, de uitgeverij die mee het gezicht van de naoorlogse Nederlandse literatuur bepaalde? Het klinkt een beetje alsof Gallimard het stof van zijn imago zou blazen door te beginnen met een uitgeverij die Gaston heet'.

Juist Jacobs Peter.
Edition Gaston.
Let wel: van Gallimard
niet van Lagaffe
(aka Guust Flater).

Zelf heb ik u ontmoet op een prachtig geslaagd zomers feest in uw bucolische Pajottenlandse hovingen. Uitgeverij A. Manteau - u schreef die voornaam nooit voluit om heel consequent gendergelijkheid af te dwingen in de machistische uitgeverswereld van toen - mocht dan al door Jeroen Brouwers totaal onbewoonbaar verklaard zijn, zelf werd ik er door de ingoede Ward Ruyslinck, door de gezellige fietsfanaat Jos Vandeloo en de perfectionistische germanist Jef Geeraerts als beginner heel hoffelijk en altijd fair opgevangen. Om nog te zwijgen van de oeverloos geduldige begeleiding die me er wachtte door Myriam Libert, juweel van jade in uw statige uitgeverstempel aan de Antwerpse Beeldhouwerstraat.

Wat er toen toe deed, dat was La petite musique. Dat je er als auteur volkomen vrij van boekhouders en businessplannen schrijven mocht over verdwenen werelden. Over de schone schijn van gisteren en vandaag. Over alle tinten wit zwart en grijs in tijden van oorlog. Over de stormen in je eeuwige puberhart. Altijd ging het om de tekst en alleen om de tekst. Auteurscontracten en verkoopcijfers werden er getekend met een hartelijke handdruk op vertrouwen.

Wel werd er wekenlang gekibbeld over bijvoorbeeld die ene vraag of ik ‘Madame Valentine’ al dan niet een raam rond mijn verhaal meegeven zou. Liever dan dat ik mijn personages zoals in het ingeleverde typoscript rechtstreeks vanuit hun monologues intérieurs tot leven zou brengen. Ik zie me daar nog lopen in het Kluisbos met die ene vraag in de kop. De goede Lionel Deflo kreeg tenslotte zijn zin en zijn raampje rond Madame Valentine. En ik kreeg een fijne recensie van Jooris Vanhulle in De Standaard. Op één bezwaar na weliswaar. Hij vond die raamvertelling overbodig. Publiceren in uw roemrijk uitgevershuis was voor mij behalve een jongensdroom pure quality time. Met dank aan al de mensen daar wie het om de trage opbouw van mijn geschreven wereld te doen was. Roman na roman. De hele Belgétude. Verhaal na verhaal.

Maar zie, op dat tuinfeestje zag ik toen ook de eerste glimmende Jaguars komen voor schuiven uit de wereld van de ‘Sterke Merken’ . Het huis werd een stripfabriek en een kookwinkel. Kort daarop werd ik door de Nederlandse opvolger van Lionel Deflo gevraagd om in Brugge het thrillerdebuut voor te stellen van Aspe. Sterk merk. ‘Stef, ik ga die Jef Geeraerts met zijn Vyncke & Verstuyft vol luste van de markt schrijven’, zei me sterk merk Pierre Aspeslagh op de volgende boekenbeurs waar ik naast hem achter mijn bescheiden stapeltje stond te staan. Met veel tederheid, geen sterk merk maar wel oprecht.

Ik geef het hier allemaal cru en sans rancune. Recht vanuit mijn lang vergane romans. De rechten ervan heb ik inmiddels allemaal wel weer in eigen huis gehaald. Veilig weg van bij de ‘boekhouders’ die je boeken drukken in print on demand op imprints. Nini, Valentine & les autres ik koester ze hier nu net als de dierbaren om me heen groot en klein.

Het ga u goed, mevrouw Manteau, in één van uw zeven hemels boven de mijne. Zonde van Angèle, uw aldus te grabbel gegooide verzwegen voornaam. Als een stuk zeep in de zee van Sterke Merken. Kiekeboe. Suske & Wiske. Jeroen Meus.

Ook op dat punt ziet Peter Jacobs dat bijzonder scherp: ‘Het is vast goedbedoeld. Sympathiek. Maar of ze gelukkig geweest zou zijn met zo’n familiaire merknaam durf ik te betwijfelen.’


Aan wijlen mevrouw A. Manteau.
Uitgeefster. Noblesse de Plume.

17 januari 2018

VADERLANDSE PLICHTEN



De Blote Pompier is ons dodenmonument dus geen naakte brandweerman de reputatie van onze gemeenschap blijft zonder kleerscheuren overeind. Ons buitengewoon bekwaam brandweerkorps staat bekend tot ver buiten de grenzen van dit tranendal. Nog nooit is het gebeurd dat het er niet in slaagde een of ander lopend vuur te doven. De blaaskapel wordt gretig gevraagd tot in de grootsteden Kluisbergen en Maarkedal. De Blote Pompier is onze local hero zegt mijn grootvader. Ook bij onverwachte zwangerschappen wordt naar hem verwezen. Is ze alweer in positie? Het zal van de Blote Pompier zijn. Als rust brengend monument bevestigt hij hoe monumentaal vredelievend en gastvrij onze stad is zonder aparte loketten of niks bijvoorbeeld voor mensen met schoenmaat 40-45. In de armen klemt de Blote een vlag alsof die op elk moment kan wegvliegen naar Noord-Korea. Het is vandaag volkomen windstil zelfs de vlinders ondervinden geen hinder van turbulenties. Zo bloedheet is het dat ik kriebels krijg in het gebied waarvan mijn grootvader zegt dat zijn galstenen er dringend dienen te worden weg gesneden. Binnenkort gaat uw eigen vlees wakker worden zegt mijn grootvader. Ik heb liever dat het nog wat blijft slapen ik voel me te leeg om iets anders te doen dan hier vanop mijn bank naar de Blote Pompier te kijken. Als ik de ogen halfdicht knijp lijkt de Blote op een kloeke kaatser van Pelote Pinguins. Hij trekt een fruute alsof zijn lief er vandoor is met een wever op zeven getouwen. Goede redenen die verklaren waarom de Blote geen kleren draagt. Ten eerste hebben goden ook geen kleren aan vanwege de zwoele temperaturen aan de Exegetische Zee. Wat niet wil zeggen dat het daar nooit eens regent ge moet niet alles geloven wat De Vlaamse Toeristenbond ons wil wijsmaken zegt mijn grootvader. Ten tweede werkt een echte kunstenaar graag op blote modellen om de anatomie van Vesalius te kunnen blootvieren met het puntje van zijn beitel.

Op het monument staan alle namen van de helden die zijn gaan liggen doodgaan om er hun vaderlandse plichten mee te vervullen. Hun alfabetische volgorde houdt geen rekening met de ernst van hun sneuveling. Van Kerrebroek Ferdinand kan bijvoorbeeld perfect gesneuveld zijn vanwege een dikke kanonbal op zijn wachtpost. Toch komt hij op de kolom achter de pompier zijn blote achterkant diep onder Delbar Désiré die mogelijks maar een heel onnozel kogeltje in één van zijn vitale orkanen heeft ontvangen.

De schamelheid van de Blote staat symbool voor de opoffering van onze Onbekende Soldaten aan het front. Volgens mijn grootvader zit daar de totale onthechting in voor het Hoger Doel zelfs al hebt ge nog van alles te doen een werkmanshuisje kopen en uw eigen opwerken tot conterbaas. Maar als ge naar het front moet is het enige wat u nog recht houdt als ze niet schieten van aan de overkant een kruiske van uw moeder met haar god zegene en beware u doorheen de suizingen in uw oren en een foto van uw lief achter uw geschouderd geweer aan het schietkraam van de zomerkermis.

Elk jaar worden er bloemen neergelegd aan de blote voeten van de Pompier. Lang blijven ze niet vers. Dan volgt het volkslied van ons nationaal vaderland zoals voor een match van de Duivels tegen Duitsland. Jonge mensen moeten altijd goed onthouden dat hun voorvaderen gesneuveld zijn voor dit monument zegt mijn grootvader. Ik had die Van Kerrebroek wel eens willen vragen hoe het voelt om hier als held helemaal aan de onderkant van het alfabet te hangen.

‘Vaderlandse Plichten’ verscheen als novelle in Het Laatste Nieuws. Dit is een herwerkte ingekorte versie. (Illustratie Michel Provost).

11 december 2017

GEBRUIKSAANWIJZING VOOR RONSE



Dartel dansen de vlokjes aan mijn schrijfstek onder de balken voorbij. Broos als hapjes Hubertusbrood. Volatiel als één Warmste Weekje. Net voor De Nacht van de Lange Laguiole’s wordt ingezet op Het Geslacht Kalkoen. Barmhartigheid voor de goedgelovigen. Mededogen op de meditatiemat. Solidariteit vuir noog ne kalant of twie. Alles aan braderieprijzen. In afwachting van de stormloop op de solden.

Stijlvol siert de stad zichzelf in het Winterlicht. Onze beste stadsfotograaf capteert de magie van dit dal, gevat in tijdloze schoonheid. Hier houden we ons we jaar na jaar wat langer jong. Hier doen we stoer, tonen we ons sterk al zijn we nog zo zwak.

Hier worden we boos en gaan we uit de bol, al dan niet voor de lol. Hier waren we ooit klein groeiden we groot en gaan we vroeg of laat dood. Elk met ons hoogst subtiel of futiel plan en onze netwerkjes. Met zijn allen of bijna willen we ons al te lang ondergeschoven stadje redden.

Het mirakel van Ronse heet fierheid. Mooie herinneringen, hoge verwachtingen. Diepe ontgoochelingen, onwrikbare hoop. Troost en trots. Volharding en verbondenheid. Dolle avonden vol vreugde uit vijfduizend kelen, dan weer stille schrijfnachten alleen.

Op ons bakkes, recht krabbelen en weer voort. Ons grandioos vergissen. Het grote gelijk aan onze kant maar het niet krijgen. Het grote ongelijk vergeten. De ene stap overmoedig te ver. De andere stap deemoedig terug. Een stap opzij. Een stap vooruit.

Ronse is nooit saai, telkens weer zo anders. Ge zaut vaan Ronse oos ge gisteren fabrieksschoorstenen hebt weten ontploffen en vandaag Oude Vrijheden ziet herrijzen. Wat elders bestuursmatig vanzelfsprekend geldt voor elke Belg, torst hier nog altijd dat lastig Brussels slakkenhuis.

Gelieve om dit alles eerst zorgvuldig de gebruiksaanwijzing van Ronse te willen lezen. Ronsenaars laten zich niet kisten als een lading afgedankte schietspoelen in de grote schaalvergroting aan 500 euro per afgekochte burger.

Een halve eeuw nu al heeft de kerstman de 1000 lichtjes van Ronse aan zijn laarzen gelapt. De sterrenlucht boven Wittentak gemeden als een no fly zone. Voor ons Ronsenaars daarom liever geen leeg kerstpakje meer met wurgend strikje om. Geen kerstkitsch maar cash.


Ronse Winterlicht. Foto Fabrice Gevaert