23 januari 2021

 BETOVERINGEN.

Il est où le bonheur. Il est où?
Weet jij het? Jij die op alles je antwoord klaar hebt? Jij die je meningen lardeert op de tamtam in je handpalm?
Jij die geen afwijkende gedachte duldt?
Jij die likes telt, ter bevestiging van het eigen Grote Gelijk? Jij die je 'vijanden' basht, je fake vrienden toejuicht? Jij die alle posts van eigen volk, kliekjes, clans en trollen gretig ‘deelt’?
Wat waarheid is, waar geluk zich schuilhoudt.
Het verlangen ernaar. De herinneringen eraan die je ’s nachts uit dreamland schudden.
J’ai demandé à la lune
Et le soleil ne le sait pas
Je lui ai montré mes brûlures
Et la lune s’est moquée de moi.
(Indochine)

.
Je noteert schriftjes vol quotes van anderen.
Alle boeken die je nog lezen wil.
De steeds dikkere leesmuur om je heen.
De Toverberg die almaar hoger klimt.
‘We zijn lichtvoetig op weg naar nergens’
(Ann Meskens).
‘Sta op, begin te leven en heb lief.’
(Alicja Gescinska).
‘Wie schrijft als filosoof,
schrijve persoonlijk of schrijve niet’.
(Hans Achterhuis. ‘Denker des Vaderlands’).
Ken je zelf. Wat zou het? Ik blader door albums, zie mijn vorige levens voorbij schuiven in foto's. Ze scherpen mijn herinnering aan niks dan goede momenten. De andere dump ik. Ballast.
Ik blijf hangen tussen tederheid en hoop op betere momenten. Als we samen eindelijk van achter onze stomme maskers vandaan het beest zullen verslagen hebben, eer het ons zelf te pakken heeft.
Als we weer kunnen zijn
wie we altijd waren.
Vrolijke, vrolijke vrienden.
Met alle dierbaren om ons heen.
Terrasjes doen. Feestelijkheden.
Optredens. Kunst. Theater.
Rituelen. Tradities.
Hangen doe ik tussen al die herinneringen, het verlangen naar dat alles. Ondertussen mezelf terugvindend op de fiets. Op wandelschoenen langs stapstenen van gisteren naar morgen. Elke binnenweg verkennen, elke buitenroute ontdekken.
Blijven zoeken zal ik. Geborgenheid voorbij de passie. Verborgenheid voorbij bubbels en luchtbellen.
Open ruimte zal ik zoeken voorbij de beklemming van lockdown, quarantaine, avondklok, virologen.
De zon zien opkomen wil ik, schitterend op watervogels. De zon zien ondergaan achter de laatste Scheldeboot van de dag.
‘Ik Twitter, dus ik besta.’
(Donald Trump).
Tot de ondraaglijke lichtheid
van de waan doorprikt wordt,
als een golfballetje in Mar-A-Lago.
Voort leven tussen al die onzin. Ver van al dat lawaai. Al dat zinloos gratuit geweld.
Voort stappen op de lange weg, van voorgekauwde openbaring naar eigen vrij zinnig onderzoek.
Als jongste van vijf het absurde van een vaderloze geworpenheid traceren. Proberen die te plaatsen in het grote geheel. Met dank aan het 'Deus sive natura' van Spinoza. Getemperd evenwel door mijn goede vriend, de nobele heer Bertrand Russell. Met zijn hondje Jack.
Zingeving vinden in de zin(nen) die ik er zelf aan geef, mijn schrijfleven lang.
Wie mij liefheeft,
blijve vooral zichzelf.
Quote van eigen kweek.

‘BETOVERINGEN’. (1
Levenswandelroute.

 PAROCHIALE WERKEN.

Traag diept Monsieur-Le-Patron zoals hij bij het betreden van Sint-Hermes is begroet door zijn wevers (de Derby-klak van Maison Carlier, Rue au Vin deemoedig ter hoogte van hun bretelsknopen) een briefje van 100 Frank uit zijn portefeuille (Pur Croco du Congo. Maison Samdam. Rue du Poivre) mikt het zuchtend op een bedje van grijze kwartjes in de gouden schaal die één van de raafzwarte bedelmadammen hem aanreikt. Buigt zich dan naar mij: ‘Les temps sont durs pour tout le monde gamin, crois-moi’.
Ik zit met mama, onder de preekstoel, mijn missaal in de schoot, glimmend leer, goud op snee, het lintje klaar op Hoofstuk 1: Introïtus.
(Later, als mijn vlees helemaal wakker zal geworden zijn, zal het Introitus pas echt tot een spannende ontknoping leiden, met het Coïtus Interruptus als hoogtepunt en het ‘Ite missa est’ als volbracht nagenieten).
Ondertussen blijft het hier wachten op het startsein der bellekes voor een saai scenario vol al te voorspelbare rituelen.
Hopelijk komt het sermoen vandaag niet van Marchand, regent het straks weer speeksel op mijn missaal. Het Plechtige Communie-cadeau dat ik bijzonder koester want gekregen van grootvader, mijn persoonlijke god op aarde.
Mijn missaal. Mijn eerste echte thriller. Een hoofd vol bloed en wonden. Een stekeldoornen kroon. Een Romeinse lans. Een bloederige zijkant. Een spons vol azijn. Goede of kwade moordenaars maakt niet uit. Donder en bliksem. Het openscheuren van het heelal. En daar waar normaal in Cinema Familia ‘The End’ staat: de machtige Neptunus kop van God De Vader, net voor de reclame van Artic, in de donderwolken verschijnend met als finale ontgoochelende afknapper de verkondiging: ‘Dit is mijn zoon’.
(Doe mij dan toch maar die Artic met nootjes).
In mijn verbeelding zie ik in afwachting van het verloop der eeuwenoude rituelen vooral een wondermooi engelachtig wezentje in tutu vol tule in de feestzaal van de Sancta Maria (herken ik daar mijn geburinnetje van aan de overkant Steenbrugge, rechts van de basketring?) met in haar piratenkoffer dat briefje van 100 en alle kwartjes van de offerande in Spoetnik onderweg naar het paradijs waar haar piratenschat, net zoals alle andere Parochiale Werken dienen moet om eindelijk de grote onrechtvaardigheid en ongelijkheid van dit zondige ondermaanse ongedaan te maken. De briefjes van 100 voor de sukkelbozzen. De kwartjes voor de zeldzame rijke die per vergissing van Sint-Pieter (ook al een dagske ouder ondertussen) toch door het oog van de naald is kunnen kruipen, middels het lezen van dertig missen en het afkopen van duizend aflaten.
Aan dit alles denk ik, nu ik hier vanochtend lees dat de Crypte dicht gaat tot maart 2022 vanwege '270 werkdagen' Parochiale Werken aan een nieuwe trap vanuit de Sint-Hermes Basiliek. En ook vanwege werken voor nieuwe Verlichting. Vooral dat laatste kan van pas komen.
'Blijven Schrijven'.
Dagboekachtige notities.

05 januari 2021

BOMMELS BLUES.

Bommelen zit ons als Ronsenaars in de genen.
Meegekregen van thuis, toen alles begon te kietelen. Doorgegeven aan onze Boomookies.
Bommelen beschrijven is onmogelijk.
Passie en liefde zijn niet te bevatten.
Je mooiste woorden schieten tekort.
Al je vergelijkingen lopen mank.
Het enige wat bommelgevoel benaderen kan is muziek.
Het Bommelslied: diep in de nacht uit een sax. Het Bommelslied: als het dansorkest gaat spelen. Het Bommelslied: luid uit alle boxen van Ronse. Bommelsambiance met of zonder farandole.
Mijn bommelshoed gaat er diep af voor alle verweesde Bommelsverenigingen, alle huidige en voormalige koningen en koninginnen, alle Ronsenaars die dit jaar met een enorme Bommelskater zitten: zonder bommelen.
We houden ons vast aan de bretels van ons clownspak. We ‘scharten’ waar het jeukt. We paaien waar het prikt . In de keel en heel diep in het Bommelshart vooral.
We mogen niet knuffelen. Maar al wie zich vandaag in en om de Bommelsinstanties met de moed der wanhoop uit de naad werkt en suf denkt over alle toegelaten manieren om onze Bommelspijn toch enigszins te lenigen, verdient een welgemeende bommelknuffel. Gelardeerd met een hele zak confetti over de helaas verplicht gemaskerde bommelskop.
Wij wéten met zijn allen wat Bommelen was. Elke herinnering vult vandaag ons verlangen naar morgen.
Als onze Bommels Blues, ver voorbij de primavera, verwerkt zal zijn. Dan zullen we tuupe voort dromen van Ronse en van de volgende, mooiste Bommelsfeesten allertijden.
Hoop is daarbij ons beste Bommelsvaccin.
Gegarandeerd honderd percent Ronsies.
Stef.
Alle info op: www.bommelsfeesten.be
Bommelsradio van 5 tot en met 11 januari op 92.5 FM.

28 december 2020

BLIJVEN SCHRIJVEN.

VAN EEN ANDERE PLANEET

Met ‘The disconfort of evening’, de vertaling van haar debuut ‘De avond is ongemak’ mag de Utrechtse twintiger Marieke Lucas Rijneveld zich de eerste en jongste Nederlandse International Booker Prize-winnaar noemen.
Schrijven is voor haar een kwestie van leven of dood, wil ze erover kwijt aan Jelle Van Riet in De Standaard. Iets waar al het andere ondergeschikt aan is, tot de liefde en de vriendschap toe. Al haar liefde gaat in het schrijven.
‘Het gevaar van die monomanie is dat het altijd door gaat. Ik slaap al jaren op pillen: even knock-out en dan weer verder. Elke dag opnieuw moet ik het gevoel hebben dat ik iets heb gecreëerd, wil ik me gezien voelen en veilig. Als ik niet werk, heb ik naar mijn gevoel niet echt bestaan’.
Het allerliefste wat ze doet, is vanuit haar ongebreidelde fantasie haar binnenwereld vormgeven, er iets moois van maken. ‘Maar in de avond kan die fantasie ook wel een doem zijn, want ik kan haar niet stopzetten’. Bij het schrijven van haar tweede boek ‘Mijn lieve gunsteling’ schoven waan en werkelijkheid zo over elkaar heen, dat ze er bang van werd. Een pareltje van die fantasie lees ik van haar in 'De avond is ongemak'.
‘Jij komt echt van een andere planeet’ fluistert Moeder'.
‘Ik kijk naar de grond. Moeder kent alleen de aarde. Ik ken alle acht planeten en weet dat er tot nu alleen leven op aarde is gevonden. Mijn Vader At Meestal Jonge Spruitjes Uit Nieuw Lekkerland. Vader gruwelt van spruitjes, maar het zinnetje is een bruggetje om alle planeten te kunnen onthouden...Het zinnetje maakt me ook nietig: we zijn allemaal maar een spruitje in een enorme kookpan’.
Haar bruggetje en mijn verbeelding brengen me bij die acht planeten. Wat Dieter De Cleene er in 'De Kosmos. Het Ontstaan van alles' (EOS Wetenschap) er zoal over weet.
Mercurius: (430°C).
Venus: Het regent er zwavelzuur. Gemiddeld 350°C),
Planeet Aarde: De enige in ons zonnestelsel waar leven is. Tot dusver.
Mars: Dankt zijn rode kleur aan het overvloedig ijzer dat er roest. Dood om oud ijzer.
Sommige wetenschappers vermoeden dat er op Mars leven is geweest. Er wordt naarstig naar sporen gezocht. Wie weet was er ooit een pandemie.
Jupiter: 1300 keer zo groot als de aarde. Het stormt er altijd. Het windeke dat me vandaag belet te joggen in het Kluisbos is op Jupiter dus maar een briesje.
Saturnus: Vooral bekend van de stukken ijs en steen die er om je heen cirkelen.
Uranus: Egaal blauwe planeet. Wel frisjes. Gemiddelde temperatuur -214°C).
Neptunus: Winden: tot 2000 km/u.
Er zijn in het universum ontelbaar veel zonnen. Sommige tot 100 keer groter dan de ‘onze’. Maar waar vandaan komt dat allemaal? Van de oerknal, 13,8 miljard jaar geleden ontstaan uit een enorm heet punt met bijna oneindig grote dichtheid. Bijna oneindig dus.
Wat was er voor die oerknal? Volgens wijlen Stephen Hawking in Star Talk op National Geographic zoiets als ’een imaginaire tijd’, een mathematisch concept-tijd met een totaal andere invulling .
De consequentie hiervan is dat tijd en heelal geen begin hebben. Hiermee pleegt Hawking een aanslag op het ‘kosmologisch godsbewijs’.
Dat is de onder meer door Plato en Aristoteles gehuldigde gedachte dat aangezien alles wat beweegt een oorsprong moet hebben, je god (bij Plato ‘wereldziel’, bij Spinoza god of de natuur) kunt zien als eerste beweger of onbewogen beweger van het heelal. Met zijn imaginaire tijd redeneerde Hawking dus god zélf weg.
Van imaginaire tijd naar imaginair schrijven is het maar een bruggetje. Terug naar de spruitjes pan van Marieke Lucas Rijneveld. Zegt ze over haar nieuw boek ‘Mijn lieve gunsteling’, het troebele verhaal van de veearts uit haar debuut.
‘Zelfs in de duisterste mens is ooit zonlicht geweest’.
‘Een zwart sprookje’ noemt haar redacteur het boek’. Ik beken, in ‘Lolita’ van Nabokov ben ik nooit verder geraakt dan tot waar walging me tot de lippen steeg, me sterker werd dan de algemeen erkende sublieme verwoording van de schrijvende grootmeester.
Veel kans echter dat de jonge Rijneveld me nu, via haar ‘lieve gunsteling,’ eindelijk over die walging heen helpt en ik Vladimir zijn iconische Lolita nog maar eens probeer uit te lezen.
‘Blijven Schrijven’.
Dagboek

BLIJVEN SCHRIJVEN 

PETITE HISTOIRE.

Ronse is noch het Land van Ooit, noch Parc Bilinguix. Ronse is een stad van de wereld. Die van de jonge Ronsenaars nu en morgen.
Ronse-Renaix, fifties. In de Familia zingt Jacques Brel ‘Les Bourgeois’ pour ces gens-là: met hun Studebaker, hun patriciërswoning, hun 'petit écran en noir et blanc avec Rin-Tin-Tin dedans'. Vastgeroest zitten ze in hun certitudes, opgesmeten door voorgekauwde waarheden uit de Pourquoi Pas?
De Vlaamse Ronsenaars zijn sinds Leo Vindevogel hopeloos verdeeld, trekken op Rerum Novarum naar Wittentak, achter vaandels van Den Tap. De socialisten hangen tussen die twee werelden in, marcheren met alle trekzakken van de accordeonschool vanuit het Feestpaleis naar het Malanderplein.
Kristen Volksbond voor de Vlaamse katholieken. Patria pour les ‘bons pères de famille’. (Papaoutai). Harmonie voor blauwe goddelozen. Fiestpaloas voor rooie metselaars en maçons. Met zijn allen tuupe tegen elkaar.
Onderweg van vroeger naar nergens. Achter maskers van gestolde almacht. De schone schijn statuskikker te zijn in De Ronsenaar, Le Ralliement, Le Courrier de Renaix, Le Journal de Renaix, Voor Allen, De Verbroedering.
NIVEAU ZERO.
Ronse-Renaix, early sixties. Emile Cuvelier ziet het gat in de kiezersmarkt, duikt Omer Van Oudenhove achterna. ‘Mon parti c’est mon pays’ wordt in het Ronsies: 'Renaix -Bilingue'
Tweetalig zal het Collège Saint-Antoine de Padoue alvast nooit meer zijn. De Franse klassen worden jaar na jaar 'uitdovend’. Schoolmakkers en speelkameraden verdwijnen naar Anvaing. 'Adieu, biroute'.
De nieuwe taalgrensregeling houdt Ronse in de klem en onder de duim. Verboden te fusioneren. Vergeten te ontsluiten. Treinverbindingen? Welke treinverbindingen? , De Passerelle? Welke passerelle, Beerie?
Vergeten wordt vooral de onontbeerlijke Ring rond Ronse: minder dan twee kilometer (2km) van boven de Kruissens tot aan de Steenweg op Leuze. De A8 toont zijn rug aan Ronse.
Résultat des courses? Plundering van alle Ronsese nutsdiensten. RTT. Reddy Kilowatt. Vredegerecht. Belastingdienst. Post sorteercentrum. Ronse wordt de Koningin der foute lijstjes. Hoogste werkloosheid. Laagste fiscaal inkomen.
De ‘textiliens’ verkopen hun fabrieken als lofts 'en pièces détachées’. De wevers verlaten hun koertjes en gangskes, trekken naar de sociale stadswijken. Centrale verwarming, comfort.
Ronse deemstert weg in het labyrinth genaamd België. Met hun profileringsdrang, hun egotrips en hun onderling gekibbel houden de Ronsese politieke ‘tenoren’ hun stad al die tijd zélf vleugellam. Het is altijd de schuld van de anderen.
Dat wederkerig schelden gaat ondertussen maar door. Tot vandaag, hier op de sociale media. Bagger, haatpraat, dreigementen, verdachtmakingen. Elke poging tot sereen debat stuit telkens weer op oude rancunes en verwijten. Niveau Zéro.
Het halfslachtige taalstatuut brengt Ronse niks dan ...halfslachtigheid. Ronse verdampt in de politiek van en voor elders, gevoerd met de stemmen van de Ronsenaars. Massa’s lokale parlementsleden met elk een vet parlementair pensioen, dat wel. Doch zonder eensgezinde Ronsese agenda noch plan voor Ronse, die naam waard. De illusie van (vaak eentalige) ‘tweetaligheid’ zorgt voor een instroom van gelukszoekers, kansloos op de arbeidsmarkt, klaar voor de werklozenvalkuil.
ALLEMANSLAND
NIEMANDSLAND.
De eurosubsidies en de miljoenentransfers vloeien vlotjes naar nieuwe bedrijvenparken in het Frasnes van Ronsenaar Jean-Luc Crucke en het Doornik van geboren Ronsenaar Rudy Demotte. En nog is de bodem van de kelk voor de Ronsenaars niet helemaal geledigd. Zware Coronaravage zit er nog aan te komen. Faillissementen worden nu nog even uitgesteld. Dagboeken signaleren rechtstreeks van onder de radar diepe Ronsese armoede.
De Titanic zinkt,
het orkest speelt
Dirty Old Town.
Terwijl eenieder hard blijft schreeuwen en schelden om het eigen grote gelijk zijn de laatste baronnen van Ronse al lang weg naar Vevey, Monaco, Knokke- Le-Zoute , Sint-Martens-Latem, Riviera.
Of ze hebben zich zelf weg verloederd in hun decadentie, gelijk neergaand met de ondergang van hun oude paleizen, hun bouwvallige fabrieken hun megalomane briefhoofden.
De vorige politieke generaties hadden noch de klasse, noch de grandeur om als Ronsese gekozenen samen tuupe ensemble Brussel duidelijk te maken dat de grondwet gelijk zegt te zijn voor alle Belgen, behalve voor Ronsenaars. Die mogen minder dan de anderen. Verboden te groeien en te bloeien.
Als Ronsenaars mogen we alleen maar systematisch geplunderd en kaal geplukt worden door onze lieve buren van fusie Oudenaarde en fusie Frasnes. We weten aldus alvast hoe het hier al vijftig jaar niét werkt en niet moet.
Maar het kan en zal verkeren. Hoop doet leven. Op naar een ander en beter Ronse. Aan de jonge generaties Ronsenaars van nu en morgen om één keer en voor goed dat totaal onwerkbaar Brussels keurslijf daterend van vorige eeuw af te gooien en het tij te doen keren. Liefst met een ambitieus inhaalplan voor Ronse
Falen is geen optie.
Hebben we al gehad.
Alle haatcomments
en bagger evenzeer.
Zoals een hoofdredacteur uit mijn vorig leven zijn redactievergaderingen pleegde af te ronden: 'U heeft het recht mijn mening te delen'.
Blijven Schrijven.
Dagboek.
25.12.2020.

25 december 2020

BLIJVEN SCHRIJVEN.

IK SMELT.

Doorgaans lees ik een halve boekenkast door elkaar, er zit daar geen lijn in. Fictie. Non-fictie. Veel filosofie (om mijn frustraties over een mis gelopen studierichting weg te lezen allicht).
Veel te weinig poëzie. Die ben ik sinds de dood van mijn schrijfmakker Jotie danig beginnen wantrouwen. Je gaat er aan dood. Delphine Lecompte komt nog goed weg. Al smelt ik als dartel dansmarieke Margot in een schooltoets poëzie ‘zo direct op zicht’ zegt te herkennen. Alvast naar de vorm. De inhoud van de aldus opgeroepen poëtische planeten volgt wel, maak ik me sterk.
Vademecum
voor den dichter.
Doe dommer dan ge zijt,
Maar mijd u voor de klippen;
Leef buiten ruimte en tijd,
Doch spoed u lijk de kippen.
Werk zonder mate of plan,
maar spied door alle luiken,
veracht den burgerman,
doch ledig zijne kruiken.
Richard Minne.
‘Wolfijzers en schietgeweren’.
(Manteau. Toen het huis van barones Angèle nog een uitgeverij was).
*
Als ik het bij al die lectuur zonder mate of plan eventjes gehad heb met Tinneke Beeckmans ‘Machiavelli’ zap ik naar ‘Martin Eden’ van Jack London, pik ik’ Mazzel tov’ (het leven als werkstudente bij een orthodox-joodse familie) van Margot Vanderstraeten na drie jaar weer op, dommel ik in met de biografie van Churchill, pik ik bij wijze van slaapmuts een huwelijksverhaal mee van Tsjechow, ga dan toch liever door met de biografie van Hannah Arendt die me belet te slapen omwille van de banaliteit van het kwade alom.
Lezen bij dag en bij nacht, het zit me in de genen denk ik. De wonderen der techniek maken het me tot overmaat van slaaptekort bovendien nu ook mogelijk onder de lakens te duiken met een halve bib in E-readerformaat. Vroeger had ik daar als kind met Nero en Lambik in bed mijn zware zaklamp van bij de wolfkes voor nodig.
Kan ik met die E-reader zalig zappen van ‘De Bourgondiërs’ van Bart Van Loo naar ‘Bel Ami’ van Guy de Maupassant, ‘Het drama van de afhankelijkheid’ van Connie Palmen, àlles van Elena Ferrante, ‘Voetnoten’ van Arnon Grunberg, ‘Het Boek der rusteloosheid van Pessoa’, ‘Mauprat ‘van George Sand, ‘De avond is ongemak’ van Marieke Lucas Rijneveld, Stendhal, Buysse, of Coetzee.
Of dan toch maar weer terug naar stevige boeken van papier. Zoals ik hem ken had mijn schrijfkameraad Piet De Moor het verre van leuk gevonden dat ik ‘Gunzenhausen’ zijn ‘parallelle leven van J.D. Salinger door hemzelf verteld’ in bed op een lichtgevend toverdoosje liggen lezen. (Ik zie uit naar dat Berlijnse magnum opus van jou, Piet. De titel ken ik al en hij geeft grote goesting, ik heb mijn tipgever helaas beloofd hem niet te verklappen).
Genoeg pedant uitgepakt met wat ik mijn Jack London syndroom noemen zal. Waar ik tegenwoordig vooral wakker van lig, is van de nieuwe Lize Spit ‘Ik ben er niet’.
Dan nièt om de hype (ik heb hier tot vandaag ‘Het Smelt’ nog altijd ergens ongelezen liggen ‘voor later’). Wel omdat ze schrijft als een toverprinses van de pen, een heel eigen leefwereld open trekt, dwars doorheen houten deurkaders op pakweg de tweede etage van een Brussels pand met drie verdiepingen, bronzen klinken en een geur van thuis die blijft hangen. Ik smelt.
'Blijven Schrijven'. Dagboek.

18 december 2020

BLIJVEN SCHRIJVEN

VAN JOURNAILLE GESPROKEN.

Alles komt terug. Niks gaat verloren. Helemaal vanuit de vergeetputten der lockdowntristesse pakt Gerrit Six, Altijddurende Certitude van de Knackredactie uit met een heerlijk hebbeding: 'Uit de Knack gesproken'. Kroniek van een verstekeling.
Hebbeding, zowel voor de stamboeklezers van Vlaanderens toonaangevend magazine als voor ‘het journaille’ zoals Frans Verleyen ons, vermaledijde verguisde compagnie der inktkoelies laverend tussen Wetstraat, Lambermont en Internationaal Pers Centrum pleegde te noemen.
Bij elke vervormde zware basstem van een of andere anonieme getuige op het scherm denk ik aan Sus Verleyen. Knack als kroonjuweel van de Wetstraatclub: het is en blijft zijn kindje.
Na kinderziekten met efemere hoofdredacteuren als Henri Schoup en Jan Schodts lukt het hem om Vlaanderen tegelijk L’Express, Der Spiegel, Time en Newsweek te schenken en de wervelende kreet waar te maken: ‘Wat niet in Knack staat, is geen nieuws’.
Martens, Tindemans, Dehaene, Guy Verhofstadt, allemaal groeien ze mee met Knack. Vooral 'da joeng'.
De Spectator van Frans Van Erps, Myriam Ceriez, Hendrik Mertens, Wim Daems, Magda Van Den Akker, Hugo Bousset, Jos Boré, De Nieuwe van Mark Grammens, Brigitte Raskin en Piet Demoor, ‘Vrijdag’ van Walter De Bock (de man die de Vlaamse onderzoeksjournalistiek bij Knack uitvinden zal), de Vlaamse Elsevier met Marc Van Impe: ze vissen week na week hopeloos achter het net in de kikkerpoel der politiek. Knack domineert het spel, verschuift de keien en lakeien van de Wetstraat.
Na het floreren van het legendarische duo Hugo De Ridder & Frans Verleyen bij De Standaard, bezet het nieuw godenduo Frans Verleyen-Johan Struye met Knack het veld.
Ik zie het nog zo voor me, op een dag zelf antichambrerend in de Zestien. Komt Verleyen eraan, ovenverse Knack onder de arm.
‘Doe geen moeite voor je verhaal deze week in De Spec, Stef. Het staat al allemaal bij ons’.
Ga zoiets explikeren drie hoog in de Koningsstraat ter redactie aan je hoofdredacteur (bijgenaamd ‘de slavendrijver’) Frans Van Erps en je uitgever professor Mediarecht Toon Breyne (‘de prof’) van De Nieuwe Gids.
Hoe het tussen Verleyen en Struye (die op een blauwe maandag naar het Gemeentekrediet verdwijnt ) is mis gegaan, wil ik niet weten. Botsing der ego’s. Gemeengoed in de ‘journaillistiek’. Bovendien heb ik wat dat betreft al ruim genoeg aan de eigen eindeloze paleisrevoluties en redactiewissels die elk schrijvend bestaan larderen.
Na het vertrek van Johan Struye bij Knack word ik gebeld door King Sus hemzelve. Of ik bij hem langs wil aan de Montgomery Square. Steraanbieding zo blijkt.
‘Ik zie je één keer per week op redactievergadering. Voor de rest schrijf je gewoon voort je verhalen zoals in de Spec. Je hebt je adressenboekje. Aan de slag’.
Een vorstelijk aanbod is het alleszins. Van het soort dat je onmogelijk weigeren kan. En toch.
Helemaal verknocht ben ik ondertussen aan de voor mij onvergetelijke warme sfeer daar op de redactie in de Koningsstraat waar tenoren als Emiel Van Cauwelaert, Jef Claes en Leo Marynissen voor Het Volk hun pennen scherpen.
Nu er beelden van heel lang geleden opduiken en ik op een touchante foto van Het Volk zowel Frans Van Erps als Walter Cabus, Paul De Baere, Rik Clément en zoveel van mijn latere goede collega’s daar in de Gentse Forelstraat weer digitaal tot leven zie komen, denk ik terug aan dat gesprek met Frans Verleyen. Wat als? Ook dat wil ik niet weten.

‘On ne refait pas sa vie, on continue seulement’. (Philippe Djian).

Blijven Schrijven. Dagboek.

BLIJVEN SCHRIJVEN.

MET GOESTING EN PASSIE.

Bart Van Loo lezen is genieten. Schrijft als een Bourgondiër, met volle goesting en passie. Houdt zich ver van de ivoren torens waarop de torenpoepers der schone letteren mekaar koud pakken, je onderwijl vanop hun nulmeridiaan toeschreeuwend hoe je dat doet, Grote Literatuur bedrijven.
De Republiek der Schone Letteren. Wie erbij hoort, wie niet. Wie ‘literair’ dood moet met drie giftige pennenkrabbels in hun steeds dunnere en dieper weg gemoffelde boekenbijlagen. Een sneer hier, een tackle daar. Van de zeer succesvolle Lize Spit suggereren dat, ze vanwege haar filmische opleiding aan scenarioschrijven doet, scripttrucs uit de doos haalt, eigenlijk de Grote Literatuur liggen laat. Et alors? So what?
Terug op de begane grond. Bart Van Loo staat met zijn 5 levenslessen in de krant. Twee daarvan kunnen me bijzonder bekoren.
‘Omring je met goede, lieve, slimme, grappige mensen. Neem afstand van wie je pijn doet. Ik heb het met scha en schande geleerd en gemakkelijk is het niet. Maar onze innerlijke barometer voelt meestal goed aan als mensen het slecht met ons voor hebben.’
*
Met andere woorden: luister naar je hart.
Dit doet me denken aan een lokale figuur die ik op een middag een restaurant zie komen binnen waaien. De puntmuts scheef boven de lachebek. Geeft er prompt midden de tafeltjes luidruchtig zijn ene levensles weg :
‘Ecoute ton coeur,
c’est toujours le bonheur!’
Stapt de Chef (koksmuts, witte short, Comme Il Faut) op hem toe, trekt de deur wijd open:
‘Je l’écoute, mon coeur. Il me dit que tu prends la porte.’
*
‘The only people I fear are those who never have doubts’ citeeert Bart Van Loo Billy Joël in De Standaard.
Het is een tweede levensles die me bekoren mag. Al leert het leven me toch vooral dat het leven me helemaal niks leert.
Er het beste van maken in een enge, vernauwde wereld vol zwerfmaskers en bubbelbeklemming.
Hangend tussen verlies en verlangen. Dag aan dag met goede, lieve, slimme, grappige mensen telkens weer opnieuw de rots van Sisyfus de berg op rollen. Samen aldus, wie weet een keitje verleggen in de inktzwarte Molenbeek.
Bart Van Loo: ‘De grote filosoof Montaigne leefde in een tijd van de godsdienstoorlogen –katholieken tegen calvinisten. Die strijd was vreselijk, er zijn veel doden gevallen, en een standpunt kon je het leven kosten. Maar Montaigne ging in het midden staan. En daar wil ik ook staan, steeds meer, het is een kracht: je buigt af en toe naar links, af en toe naar rechts. Dat is super interessant. We hebben meer getalenteerde mensen die vanuit dat midden keihard durven zeggen wat Billy Joel al zong.’
Met volle goesting en brandend verlangen.
Blijven Schrijven. Dagboek.