17 april 2019

MELKSCHUIM



Powehi. Opgesmukte donkere bron van eindeloze schepping. Het klinkt als een laatste streling van de ondergaande zon op het getormenteerde hart van Brel bij zijn allerlaatste vol de nuit over de Markiezenarchipel.

Hij, de rusteloze Don Quijote . Opgejaagd van nul naar glorie. Vanuit het bekrompen verleden en de burgerlijke convenances die je traag wurgen naar de volle zelf veroverde vrijheid. Weg van al die oude vetes die je maar blijven achterna zitten en al geschreven stonden van voor je geboorte. De verzoeners en de vechters. De erkenning met haar bijhorende rancunes. Het sluipend gif om je heen. Met in de laadruimte een laatste koffer vol medicijnen voor het soelaas van de medemens.

De vrijheid volkomen jezelf te worden en te blijven onderweg naar het zwarte gat dat op je wacht als eindbestemming vroeg of laat. Wie blijft die schrijft. Zingt. Lacht. Huilt. Leeft. Met in het hart de vrijheid als hoogste goed.

Ils parlent
de la mort
comme tu parles
d’un fruit.


Powehi. Er zit veel poëzie in de naam die Larry Kimura van Hawaï voorstelt voor het eerste gefotografeerde gat in melkweg M87. Kimura verzoent me met de duizelingwekkende diepte van al die wazige vlekjes in de catalogus die sterrenkundige Charles Messier al publiceerde in 1774. Volgens wijlen Hawking zijn het er miljoenen, wie weet miljarden. Met allemaal zwarte gaten erin die alles opslorpen.

Alle wegen leiden naar het zwarte gat in je geschiedenis. Waar alles weer niks wordt en niks weer alles. Wat ik me als agnost afvraag, mijn leven lang al, is vanwaar het toch komt. Het alles dat niks is. Die eindeloze stroom explosies en implosies. Als was het non stop melkschuim in mijn gitzwarte cappuccino. Het boeit me mateloos. Al van toen ik lid was van de Melkbrigade.