10 februari 2021

 BETOVERINGEN (4).

YOU ‘LL NEVER FLY ALONE.


‘Ik ben bang dat ik niet helemaal dood zal zijn, als ik dood ga’. De dierbare aan mijn zijde vraagt of ik haar heengaan zeker wil doen constateren door een ‘croque-mort’ zoals ze het zegt in haar unieke moedertaalmix, die ik mijn leven lang al probeer te ontwarren.
‘Mort par arrêt de l’arbitre’ die voor het zekerste toch eerst even de kop in het videokistje aan de overkant steekt, dan een rechthoek in de lucht tekent. Niks aan de hand. Voort spelen.
Er wordt bij haar wens van uitgegaan dat ik er dus zelf nog bij zijn zal om deze macabere wilsbeschikking uit te voeren.
Als vermeend langstlevende vind ik dat minder goed nieuws dan het lijkt. Laat ‘lijkt’ hier vooral niet gelezen worden als woordspeling van een radeloze letterman die met zijn woorden geen blijf weet om al te groot verdriet van zich af te schrijven.
Dood zijn zonder het echt te zijn.
Toch nog wat tegenspartelen.
Vanuit een dode hoek in je kist je eigen afscheid beleven.
Horen hoe de wierookvaten om je heen wiebelen. Jij die geen zieltjesknijpers om je kist wou. Hoe de pluimstrijkers van dienst je met all-in begrafenisformules uitwuiven. Oude wijsheden van Prediker, een belegen gedicht van Canon Gezelle. Terwijl het handvol fidele vrienden die je overhoudt na al je vermaledijde geschriften en strapatsen zwijgen omdat ze je écht kennen.
Hun oorverdovende stilte die boekdelen spreekt. Het boek dat je nooit geschreven hebt. Met alle hoofdstukken erin van je levenswandelroute en zij erbij, van op de eerste rij. Man, man, man ze weten niet wat ze horen. Wat voor heilige je zogezegd was, nu je dood bent. Heilig in de betekenis die West-Vlamingen er aan goren te geven.
Niemand kwam ooit al een keer terug. Behalve de man die water in wijn veranderde, mogelijks de dosering kwijt was geraakt onderweg en maar wat uit de nek kletste over Zijn Vader in de hemel die de mijne in mijn eerste levensjaar al had weggeplukt om met Hem een kaartje te leggen.
Het is allicht de laatste van alle angsten (niet helemaal dood zijn als je dood gaat) die een mensenleven lardeert met alle onzekerheden van het zijn. Voorlopig is het een van de weinige angsten die me zelf gespaard blijft. Maar je weet het nooit natuurlijk. Je moet eerst je dood zelf beleven om te weten waarover je praat, als het hebt over hoe dat voelt er niet meer zijn.
Mooi praten heb jij trouwens, beste Epicurus. Jij met je ogenschijnlijk geruststellende dooddoeners.
‘Als de dood er is, ben jij er niet meer’.
Hoe weet je dat zo zeker? Is er leven na de dood? Alvast toch nog eventjes in het hart van de dierbaren om je heen, zo mag gehoopt worden. Een leven dat voorbij is, in de herinnering van anderen voort leeft, gepolijst door elke hartenklop dag aan dag.
‘Madame Valentine’ die in mijn herinnering niks dan tederheid wordt. Al was haar echte leven vooral een bikkelhard bestaan. Wat zou ze nog tijd hebben gehad voor veel tederheid? Er moest brood op de plank. Haar 'bende beren' had aan tederheid en weke praatjes geen verhaal.
‘Een al begeerte’ die zich gaandeweg door de verlatenheid van het leven omzet in knagend verlangen, dankbare herinnering en levenslange ontroostbaarheid.
‘Als jij er bent is de dood er niet’.
Ook weer zo’n halve troost. Want wat zou het. De dood leeft al met je mee, vanaf dag een. Bij mij zit ze op de schouder van de kinderjuffrouw die de poussette duwt. Als de schaduw van mijn altijd al dode vaderfiguur. Met als enige ‘nalatenschap’ prille verlatingsangst.
Angst voor de vreemde voogd. Angst voor het weeshuis met de zweep. Angst voor het auto-ongeval van mama onderweg met haar ‘coupons et échantillons, sous le ciel Flamand entre Bruges et Gand'.
Angst voor de hel van Zuster Zenobie. Angst voor de Hel van Neuengamme. Angst voor felle onweders. Angst voor de duivel van de Fiertel, de Duivels van de Bommels. Angst voor Atilla en de Hunnen die vrouwen meesleuren bij de Haren. Angst voor La bombe atomique. Faalangst. Angst om de angst. Angst om jezelf. Om al je missers.
‘Leef alsof het je laatste dag was’.
Moi je veux bien. Hard geprobeerd. Makkelijker gezegd dan gedaan. Anderen zijn zo te zien meer ‘gedoueerd' en geboren voor het genieten van elke dag.
En dan nog : hoe beleef je die laatste dag? Heb je het kopje er nog bij? Weet je nog wie je bent, wat je ware leven is? Wat doe je die laatste dag, wat je niet al keer op keer je leven lang geprobeerd hebt. Wat veel beter had gekund?
Nu en dan werk je me op de zenuwen, beste Epicurus. Jij met je Bond Zonder Naam wijsheden. Soms vlucht ik met mijn diepste verlangen en mijn ontroostbaarheid bij je weg tot bij mij andere goede vriend Blaise Pascal.
Parce que le coeur
a ses raisons
que la raison
ne connaît pas.
Of dan neem ik voor even, vanuit La Terre des hommes, een hoge vlucht en stijg ik in een zucht tot boven in de lucht. Bij mijn copain Saint-Exupéry en zijn Kleine Prins.
L’ on ne voit bien qu’avec le coeur.
L’ essentiel est invisible des yeux.’
Daarboven, in de cumulo nimbusjes, bien loin des méchants, leef ik dan alsof er helemaal géén laatste dag komt. Ver voorbij tijd en ruimte en alle dingen die vroeg of laat voorbij gaan.
You’ll never fly alone.
Betoveringen (4)
Levenswandelroute.