21 november 2005

EGOSTRIP (43)

Blog Note.

Ronse. Sint-Martenspleintje. In ‘Bijouterie André Ostijn. Ballonvaarder’ word ik op woensdagmiddag slapend rijk. Het enige wat me te doen staat is de gaatjes in mijn warme wafels vullen met boter en cassonade. Nu en dan een velletje melk uit mijn kop Banania vissen met een theelepeltje in de Wiskemann uit de Bijouterie- Orfèverie van mijn groottante Lène.
En vooral mijn draagbare coffre-fort klaarhouden : dat het geld er zomaar in kan komen rollen.
De deal met mijn groottante Lène en haar zuster Zulma is als volgt. Elke woensdag vormen De Witte Madame Carlier en de Zwarte Madame Carlier kaartersteams met Madame Van Hasselt en mijn tante Lène. Tante Zulma doet de service. Zij bakt wafels en geeft doorlopend commentaar op alles en iedereen. De dames spelen soms in ploeg, soms individueel. Ze spelen couillon , broek af, manillen. De verliezers tellen grijze kwartjes van 25 centiem neer voor de winnaars. Al het geld van de hele winst komt in mijn koffertje en is voor mij. Simpel. Ik moet me dan wel stilhouden. Ik word geacht te luisteren naar de levenswijsheid van kaartspelende grote mensen. Geen gemakkelijke opdracht als je tien bent en na vijf wafels in het park van de Bloten Pompier wil gaan knikkeren.

‘Lène où la vie nous mène, je me le demande.’
‘Nog een chance dat ons spoele bijkanst afgeweven is.’
‘Deux guerres déjà.’
‘Et ce n’est pas fini. Koekes.’
‘Ge voelt het zo afkomen.’
‘Oui les Russes arrivent. Pas de doute.’
‘Moi, je stocke.’
‘Iek uuke.'
'Wat stockeerde gij dan te?'
'Chicorei De Lelie. Suiker. Koffie Grijspeert.’
‘Ik zou niet in zijn schoenen willen staan.’
‘Van wie, Lène ?’
‘Du gamin tiens.’
‘Wat is er troef?’
‘Want op een dag wordt ook hij opgeroepen.’
‘Comme mon Lucien.’
‘Dan zien we hem niet meer terug.'
'Pijkies.’
‘Of hij komt weer zonder benen.’
‘Paraît qu’ils ont des camps terribles.'
'Wiedadde?'
'Les Russes.’
‘En bombatomieks.’
‘Goed uw gaatjes vullen met boter..’
‘Lène, une fois de plus tu triches.’
‘Wa zoe’k.’
‘Ik zie dat ge op uw herte frot.’
‘En dan ?'
'Tu triches, je te le dis.'
'‘k Heb gewoon hartzeer van op zijn toekomst te peinzen.’
‘Ge doet het om madame Van Hasselt te tuyauteren.’
‘Hertentroef.’
‘Qu’est-ce je vous dis, madame Carlier ’
‘Mais ça n’a rien à voir.’
‘Iedereen zeurt hier.’
'C'est maladif.'
‘Wa zoet.’
‘Uw Madeleineke.’
‘Wat, mijn Madeleineke ?’
‘Ge dopt alweer uw Madeleineke in uw koffie.’
‘Mais encore ?’
‘Koekentroef.’
‘Een Madeleineke.Een koekske. En koeken troef.'
'Puisque je vous le dis, Madame Carlier.’
‘Ge ziet overal kwaad in.’
‘Petit, retiens ceci. Ne jamais tricher dans la vie.’
‘Zulma!'
'Joaoaoa Leene! Waneest noa?'
'Ziede niet dat de kleinen zonder wafels zit ?’
‘Lène, hij heeft genoeft.’
‘Hie goe moeten spoaen.’
‘Dame de pique.’
‘Nog een chance dat mijnen ballonvaarder het niet meer gaat meemaken.’
‘Un as, ton André.'
'Un vrai chevalier du ciel.’
‘Un seigneur, Madame Van Hasselt. Un grand seigneur.'
'Zulma, schenkt ons nog iets in.’
'Pour digérer.'
‘Pour moi ce sera un Parfait Amour.’
‘Kloevers troef.’
‘Lène, ik moet mijn wafelijzer surveilleren.’
‘On étouffe ici.’
‘Zulma, trekt dan toch die laterneau open op zijn spleete.’
‘Lène, je n’ai que deux mains.’
‘En een tong. Je ne vous dis pas mesdames.’
‘As de cœur.’
'Lène 't ees goed!'
'Lange taunge, lange tienen.'
'Va jouer aux billes, petit.'
'On gardera tes sous.'