29 april 2016

BRIEFGEHEIMEN

TRAGE WEGEN



Op 9 mei ben je 60. Negen grafschriften bedacht je voor jezelf. In bossen, op eenzame plekken.

Hier ligt Johan T’Hooft
Hij leefde niet lang,
God zij geloofd.


Hij meende dat hij op 45 dood zou zijn
maar liep op zijn tachtigste onder een trein.


Ik lees vanochtend de brief van Tom Lanoye vanuit Kaapstad aan Chris De Stoop over diens boek ‘Dit is mijn hof’.

‘Ik zweer je dat ik de herfstige poldergrond uit onze jeugd kon ruiken, terwijl ik sporadisch opkijkend – toch weer die Tafelberg zag staan zingen in de Kaapse hoogzomerzon’.

‘Om een tekst te doen leven is niet enkel de verbeelding van een schrijver van doen’, schrijft Lanoye aan zijn jeugdvriend. ‘Ook een lezer moet zijn verbeelding in stelling brengen, in dat zalig en grootschalig complot dat wij literatuur noemen.’

Het complot dat we literatuur noemen. In ‘Jij zegt het’ fileert Ted Hughes via de pen van de magistrale Connie Palmen het vroege werk van zijn eeuwige geliefde Sylvia Plath.

‘Hoewel haar genie overal doorheen probeerde te breken en in sommige zinnen glorieerde, heb ik het pretentieuze formalisme van het vroege werk, hoe bekwaam en vakkundig ook, altijd verafschuwd. Het was de nectar, het verlokkelijke parfum, het bedrieglijke lokmiddel van een vals zelf. Natuurlijk kun je over dichotomieën, kariatiden en epitafen schrijven, als er in hetzelfde couplet ook wat konijnenkeutels, een lipstick en een natte Kleenex opduiken. De gedichten, het proza, elk woord dat ze moeizaam uit de stroeve pen perste, was op maat gesneden voor de markt, bedoeld om een plek in het pantheon van The New Yorker te veroveren, of om als populaire waar verkocht te worden aan tuttige damestijdschriften, aangepast aan de verwachtingen van een lezerspubliek, risicoloos, voorspelbaar en commercieel. …

‘Omdat ze onvrij was, met de pen vastgeklonken aan zichzelf, hopeloos schatplichtig aan een beleefde werkelijkheid maar zonder de moed om eerlijk te zijn, was ze altijd bang dat haar poëtische reservoir leeg zou raken. Op een dag zou ze terugkijken op een plotloos oeuvre dat door niets anders bijeengehouden werd dan door een dode vader, een zelfmoordpoging, en de spagaat tussen liefde en werk.’

‘Het was een reële angst. Iedere schrijver die zo eng gebonden is aan de autobiografie, vernauwt zijn werk tot een individueel lot en mist toegang tot het universele en heilige, niet alleen tot de wereld waarin alles en iedereen met alles en iedereen is verbonden vanaf het begin der tijden, maar ook tot de literatuur waarin onze voorgangers verhalend vorm gaven aan wat het voor ieder wezen betekent om te leven.’



Je authentieke jezelf Jotie. Voor het universele en het heilige. Altijd. Vanaf de dag dat je bij me aanbelde op de Steenbrugge, met de eerste tekst. De moed vrij te zijn. Niks geen fraude op maat van de markt risicoloos voorspelbaar en commercieel.

Geen Tafelberg hier
in Ronse of all races
een gesnoeide plataan
en tussen het riet:
jij weer met je karbonkels
een en al begeerte
lang voor je junkieverdriet.


't Eeuwig leven

Karbonkel
waar ben je
gebleven?

Je maats van
Ouwnorde tot
diep in Ronse

je liet ze
achter op
trage wegen

jodelde jezelf
in 't eeuwige
leven.

Aan Jotie ’t Hooft
(°Oudenaarde 9 mei 1956).