08 december 2015

PASSAGES

POTJE POEIER IN HET GRAS



Het kerkhof van Hogerlucht krijgt eindelijk een waardige rouwhal! Zo staat het er. Met uitroepteken en al! Alsof ze verwachten dat we er ons heen haasten. De hal moet de rust van de natuurlijke omgeving uitstralen ‘en open staan voor elke geloofsovertuiging’.

Dit doet me denken aan The Ethics of Belief het opstel dat William Clifford (in 1877) schreef voor de exclusieve debatclub The Metaphysical Society. De club kwam negen keer per jaar bijeen in Londen om er religieuze en filosofische onderwerpen te bespreken. Toen Clifford er zijn lezing gaf, was hij al hoogleraar toegepaste wiskunde aan het Londense University College. De stelling van Clifford is dat je mogelijks ook totaal verkeerd kan zitten door zomaar blindelings je vertrouwen te stellen in de voorzienigheid terwijl dat vertrouwen niet gedragen wordt door zorgvuldig onderzoek.

Jamaar! Geloven of niet is een persoonlijke zaak!
Het staat iedereen vrij te geloven wat hij of zij wil!


Ook maar durven opperen dat iemand misschien wel op foute gronden gelooft, wordt vaak met verontwaardiging (of met zweepslagen, onthoofding) tegemoet getreden.

Maar is geloof dan geen persoonlijke zaak? Clifford ontkent dat met kracht. Geloof is géén persoonlijke zaak en heeft nooit alleen maar betrekking op jezelf. Wat de ene gelooft, heeft grote consequenties voor de ander. Zoals we sinds Je suis Charlie, de Bataclan en dreigingsniveau vier maar al te goed zullen geweten hebben. Wat Clifford vooral afwijst is: ‘To believe on insufficiënt evidence or to nourish belief by suppressing doubt and avoiding investigation.’
Zo komt hij uit op die ene zin die hem beroemd maakte:

‘It is wrong always,
everywhere,
and for anyone,
to believe upon
insufficiënt evidence’.


De rouwhal van Ronse wordt toegankelijk via een kleine poort aan de zuidelijke zijde. Van binnen kan je er het decor van Hogerlucht bewonderen, lees ik nog bij een mooi (doods)prentje van ons allerlaatste schuiloord. Ik denk dat ik het zo lang als mogelijk ga proberen uit te stellen, dat mooie uitzicht op Ronse vanuit dat potje poeier in de rouwhal.

(Als ze op de zomerkermis mijn vette bollen suikeren met poeier uit hun pers vol gaatjes denk ik altijd aan mijn uitersten. Dit werd me in vele - vruchteloze- biechtbeurten op het Sint-Antoniuscollege steeds weer voorgehouden: ‘Stéphane, denk toch aan uwe uitersten’. Ik zat in volle puberteit, deed niks anders dan aan mijn uitersten denken. Het bracht me steeds weer terug bij mijn 'biechtvaders'. Het was bij wijze van schrijven een vicieuze cirkel. Ik genoot van mijn zonden, zij zo te horen aan het gekreun achter de gaatjes, van de opsomming van de mijne).

De rouwhal wordt ingeplant aan de voet van de groenzone. Wat natuurlijk àlles heeft om mij te bekoren. Dat de hal uitkijkt op het ereperk waar mijn talloze politieke vrienden zullen rusten, dat vind ik dan weer véél minder. Maar ach, geef Ronse wat Ronse toekomt. Zullen wij, de kiezers van de keizers van Ronse, de grondlasten van hun ereperk wel dragen en genoegen nemen met het green green grass of home.

Blogboeknotities voor hardnekkige lezers.