11 mei 2014

HET ANTWOORD VAN RONSE



Tavi kameroed, wettet noog?
Je wou buirgemiester van Ronse worden.
Je wou de ziekte van Ronse bestrijden.
De ziekte van Ronse:

‘Daade ’n goe noejt marcheiren, manekie.’
‘Waaten poasde goa wui daade goa zoat?’
‘Marcheire ‘t tooch? Ha bon…’
‘Bloaven duren ees noog ’n ander liedsie…’


De ‘ziekte van Ronse’ is bedwongen. Ze is vervangen door de Hoop van alle Ronsenaars tuupe. De teller van Levensloop tikt af op een onwaarschijnlijk eindcijfer dat de ‘rijkste steden’ van Vlaanderen het nakijken geeft. De Ronsese Levensloop verpulvert alle eerder gestelde objectieven, breekt nationale records van solidariteit.

Het was de mooie droom van één man.
Het werd de kameraadschap van twee voorzitters.
Het draaide rond de visie van een geoliede organisatie.
Het surfte op enthousiasme en inzet van vechters en vrijwilligers.
Het groeide maar aan met steeds meer teams.
Het piekte met gigantisch gulle giften van alle Ronsenaars.
Het lukte door de onwribare wil van alle Ronsenaars van goede wil tuupe.

De Ronsenaar toont hiermee wat zijn antwoord is op egoïsme en die haatslogans in zijn straat. Zijn en haar antwoord? Warme betrokkenheid om de ander. Inleving. Milde steun voor de zieke medemens. Hartelijkheid.

Nooit zal ons aller geliefd Ronse zich laten aanvreten door de verkilling. Nooit zal onze stad zich laten vangen aan de egotrip van het Eigen Grote Gelijk.

Hoe fier en hoe dankbaar om dit samenhorigheidsgevoel kunnen we vandaag als Ronsenaars zijn.
Dit in woorden vatten, is pas haalbaar als ik mijn pen warm aan die gloed in het hart van alle Ronsenaars. Aan het lopend vuur van de Hoop.

Tuupe Tavi, wettet noog?