27 januari 2014

BRIEFGEHEIMEN

WEES EEN ZUIL
VAN ZOUT KRISTIEN




Ik vergeet hem nooit. De Zomer van de Meisjes. Ik zat nog bij de krant. Dag na dag brachten reporters hun gruwelverhalen binnen omtrent kinderen in kelders. Gérard, Valeer en de andere telexjongens - toen waren die er nog - serveerden ze ook nog eens apart in afgescheurde Belga-flarden, op de algemene desk bij de liters lauwe koffie. Het ene horrorbericht na het andere. Meer en vaker dan je als papa gewoonlijk doet, belde ik in die dagen naar mijn toen zestienjarige dochter, Julie. Of ze toch al thuis was? Welke weg ze genomen had? Toch niet langs de Markt (waar ze al eens door een ouder koppel was lastig gevallen, bestaat toeval?) Toch niet langs dat park? De twee werelden waarin ik toen leefde. Op de krant aan de ene kant die meterslange gruwel. Al dat immens verdriet van de ouders. Aan de andere kant mijn eigen vaderlijke zorg om de veiligheid van het eigen nestje. Voor de mama’s en de papa’s in dit land bestaat er zoiets als voor en na de zomer van de meisjes.



Er is sindsdien veel weg van wat er voordien wel nog was. Knellende bezorgdheid is wat me overvalt wanneer ik vandaag heel jonge kinderen alleen door de straten zien lopen. Het zou niet mogen, natuurlijk. Maar zo is het sindsdien. Voor een hele generatie is dit land enkel nog veilig wanneer je 's ochtends binnen blijft en 's avonds niet buiten komt. Ooit was het anders, knikkerden, kaatsten en voetbalden we op straat. Dat onze kinderen dat vandaag niet meer kunnen, ligt niet enkel aan de verkeersdrukte en het vergaan van de sociale controle vanop omgekeerde stoelen in de citeetjes. Er is toen al teveel gebeurd wat we nooit voor mogelijk hadden gehouden. Wij waren toch scouts en gidsen geweest? Ze hadden ons toch ooit als pubers zomaar midden de Ardense duisternis gedropt, met alleen een zaklamp, een stafkaart en kompas? Die argeloosheid hebben Dutroux en co ons voorgoed afgepakt. Hij heeft ons vertrouwen in de medemens meegesleurd in zijn bestelwagen, opgesloten in zijn gruwelkelders, voor altijd als één bikkelharde angstbal in de binnentuin van ons hart gemikt.

Om het immens verdriet van de ouders, om dit alles, om die angstbal van binnen ga ik je boek niet lezen, Kristien. Ongeveer om dezelfde reden allicht waarom ik Nabokovs Lolita na diverse pogingen nooit uitgelezen krijg. Dit ofschoon ik nog niet zo lang geleden jouw dagboek heb ‘verslonden’ (De dood heeft mij een aanzoek gedaan. Over dood, leven en liefde). Mijn beslissing heeft evenwel niks maar dan ook niks te maken met de heisa en hetze rond De vrouw die de honden te eten gaf. Neen. Ik kan het gewoon niet opbrengen. Door al wat voorgaat. Door al die nare herinneringen aan de akeligste zomer die zelfs de achtentwintig moorden zonder daders van De Bende van Nijvel deden vervagen. Ik gun Dutroux en zijn entourage geen halve voelspriet van mijn ontzetting en commotie meer. Noch als mediaman om den brode. Noch als auteur vanuit mijn vezels in de marge van het literaire geneuzel. Noch als meevoelende en ontredderde papa. Noch als gretige lezer, ook van jouw proza. Neem het mij niet kwalijk. Ik respecteer daarbij volkomen jouw eigen vrije schrijfkeuze. Een schrijver kiest vrij zijn onderwerpen. Een boekhandelaar verkoopt de boeken die hij wil. Een lezer leest wat hij wil. Ik laat het nu aan mijn kinderen en hun eigen opgroeiende ukjes over om zelf weer argeloos tegen hun eigen nieuwe tijd aan te stormen, hun eigen bladzijden vol ongedwongen levensvreugde te schrijven. Loin des méchants. Ver voorbij de onnoemelijke gruwel die onze generatie voor goed de illusie van veiligheid en geborgenheid ontnam.



Wat me echter steekt, is de platte manier waarop je - in Vlaanderen toch- om dit boek nu wordt vermaledijd. Dit zowel door gerechtsverslaggevers (om de feiten) als door de literaire kritiek (omwille van de fictie en de mix ervan tot faction). Ik zal de laatste zijn om vandaag mee te huilen met diegenen die de tijd gekomen achten om je met zijn allen eens ferm te bashen. Die je vandaag hun vaak seksistische rekening presenteren om alles wat je in de literatuur betekent. Het wereldje van de zogenaamd zo vrank en vrijgevochten mandarijnen van De Republiek der Letteren dat je vandaag zo grof uitspuwt, ken ik maar al te goed. Ik ben ervaringsdeskundige van hun afrekeningen in de schemerzone tussen journalistiek en schrijverschap. Al van toen we samen debuteerden. Jij met Een Zuil van Zout, ik met Zonde van Nini. Er zaten toen dertien man in de Gentse Fnac. Twaalf voor jou. Eén voor mij. Ik kwam daarbij nog goed weg. Dacht ik toen, ten onrechte. Want die ene voor mij was de uitgever van Manteau die me prompt een contract – de vervulling van een jongensdroom - voorschotelde. Het was de tijd van voor Manteau zijn ziel verkocht aan kassa kassa detective-verhaaltjes. Pas helemaal erg werd het toen Zonde van Nini twee jaar later ook nog eens verfilmd werd door de VRT. Genoeg om prompt door het hele schrijversgild met mijn coucougnettes in de gracht naar af gemikt te worden. Een journalist die romans schrijft? Een schrijver die zijn brood verdient als journalist? No way. Dat kan alleen maakwerk en nachtwerk zijn met de zweetgeur van schrijven tussen de regels en de fles bij de hand, toch?

Weet je wat het is met dat media-literaire wereldje? Dat alles er door elkaar loopt. Een auteur, gedreven door de schrijfdrang en de vastberadenheid om zijn authenticiteit nooit te verraden, loopt gauw verloren in dat labyrinth van kliekjes en clans, schrijft zichzelf dra te pletter tegen de muur van verdoken persoonlijke afrekeningen, rancunes om wat er niks toe doet of om wat er niet is: een pril beginnerssuccesje, een graatmagere verfilming in het ene wereldje, een journalistieke promotie in het andere. En zo is het altijd carnaval, op het schrijversbal.



Wat je vandaag ervaart met De vrouw die de honden te eten gaf kan en zal je alleen sterker maken dan je al bent. De hemel en de hel weten waar je zoal doorheen bent gegaan, hoe sterk het je heeft gemaakt. Blijven schrijven dus as usual, beste Kristien. Opgemonterd weer aan de slag. Altijd voort. ‘Laissez pisser les Mérinos,’ zeggen ze hier bij ons over de taalgrens. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat je dit boek vanuit je oprechte schrijverschap hebt neergezet. Dat je, in tegenstelling tot wat ze ons vandaag willen wijsmaken, daarbij in je research wel heel diep bent gegaan. Dat je het schrijven tot in al je vezels hebt gevoeld.

Ook dàt ken ik. Toen ik voor de research van mijn roman De Nalatenschap de kampenliteratuur doornam, heb ik nachten wakker gelegen van Jerzy Kosinki’s Geverfde Vogel, Primo Levi’s Is dit een mens? en Tzvetan Todorovs Face à l’extrême. Nachtmerries had ik ervan. Ik zag keer op keer de Parijse Vel’d Hiver die ik nochtans nooit had gezien. Het was lang voor dat boek en de verfilming ervan Haar naam was Sarah. Toen daagde pas echt het gelaat van de gruwel die we als schrijvende wezens van na de oorlog nooit echt zelf kennen konden. Waarvan zij, Levi, Kosinski, Todorov en de anderen ons met hun schrijfkunst een glimp gaven.

Ik ben ervan overtuigd dat het je daarom en om niks anders te doen is. Om die glimp van datgene wat niemand voor mogelijk hield, tot voor de zomer van de meisjes. Je moet zelf schrijven om die oprechte inleving te bevatten. Hoe het je maandenlang in de kleren gaat zitten. Dat je dan nu als schrijfster gepakt en gebanvloekt wordt en verdacht van platte sensatiezucht (want dat je geen razend knappe auteur zou zijn kan ons door niemand nog worden wijsgemaakt), dàt is pas echt droefenis. Vlaanderen is dus blijkbaar niet rijp voor oprechte pure literaire faction. Het mag blijkbaar alleen komen van poen scheppende mediatieke strafpleiters en hun herschrijvers in de schaduw van het echte schrijven. Misschien kan het wereldje zich daarover eens wat gaan afvragen. Eerst verdwijnen de auteursgeschriften, dan de auteurs. Tenslotte komen de media & business planners. (Hoe krijg ik als vrouw een vallei-orgasme, in Vijftig Tinten Grijs). Ik wens je verder nog een heel vruchtbaar schrijverschap toe, beste Kristien. Wees een zuil van zout. Tegenover het geblaat van de Mérinos.

Aan Kristien Hemmerechts.